Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VOGELVERSCHRIKKER

29

DE VOGELVERSCHRIKKER

Waar het eenzame licht of de schaduw van morgen

en avonden huist, hangt zijn donkre gedaante op den akker rechtop en

gekruist;

De armen weerskanten gestrekt die in rafelen enden, de hoed als gelaat, en een jas om de staat

van zijn dwaze ellende.

Twee stokken tot stut uit den grond naar zijn hoekig

karkas,

staan als sleepende sabels belachlijk weerszij uit zijn jas; en de slapgaande beenen die lijken van verre den

grond niet te vinden,

als hav'looze stukken gedragen op krukken,

zijn slap op de winden.

De jaarlijksche zaaier die d'akker bezwaaide stond

eens voor den nacht op de plaats die hij kende weer stil met zijn spookige

vracht,

en zette hem neer op den heuveltop,

stampte het zand,

en het hem daar achter als hulpeloos wachter

op machteloos land.

Sluiten