Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38

DE AVONDRUITER

En tusschen de landen, bedaard, en tusschen de schaduw van hemel tot land

reed de man op het paard;

en zweeg en leidde

langs akker en weide

met teugel en been, al wiegende zat hij te midden dier grootschheid

en zag voor zich heen.

Toen.... achter de glooing verdween hij dalende langzaam voorgoed

en het land was alleen

Nog opengaand klonk er

een deur in het donker

der hoeve nabij, en daarna was alles weer eeuwig

en eeuwig voorbij.

Ik droom, ik leef of ik waak.

En niets is er zeker aan mij

dan de reis die ik maak, dat ik droomrig gebracht word gewiegd tot het nacht wordt, de teugel verslapt,

en ik kom als de ruiter te paard door de schemer gestapt.

Hoog op! bewust! bedaard!.... en zwart ligt de aarde rondom mij

èn blond is mijn paard,

en boven mij breidt

zich de vlucht van den tijd

tot oordeel of geen, Vreemd lichten de popels van verre, ik zwijg

en ik zie voor mij heen.

Sluiten