Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KLEINE LIEDEREN UIT DE LENTEWIND 55

IV

WELKENDE ZONNEBLOEM

0! zomer, half voorbijgestreken,

in enk'le kronen saamgeprangd, die, wijkend, over wijde streken

in één arm hart den dood verlangt, mijn hand heeft nog de rest versneden

van kracht die uit en tot U steeg, die trotsch en gloeiend opgestoken, tot in een ster van licht ontloken

verzaad van bloeien overneeg.

Zij stond in schaduw en 'tgewiegel

der wind rechtvaardig opgericht. Zij was de weerschijn en de spiegel

O, breede zomer I van uw licht. Van trap tot trap hief langs haar bladen

(wier schaduw breed werd langs den muur) met zacht geduld en vast gelooven, haar heerlijk hart zich uit daar boven

om te voleindigen in vuur . .

Het zijn maar enk'le stille dagen,

maar enk'le nachten van geluk. Eens aajn wij moe van licht te dragen

o zomer.... en een wonderlijk verlangen strijkt langs onze harten,

het léven wordt als ademloos, dan buigen w'ons herdenkend weder naar de verloren schaduw neder,

waaruit wij opgaan eindeloos

Sluiten