Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IO

JHR. DR. J. SIX

stemd om uitgegeven te worden, dat duidelijk uitspreekt hoe blijmoedig van geest hij was gebleven, al begon zijn lichaam te lijden onder de kwalen van een vroegen ouderdom.

Waarschijnlijk herinner ik mij na al die jaren juist den aangehaalden regel en het onderhoud over de herhaalde klanken, omdat ik zelf toen reeds de neiging had in mijn verzen, meest onuitgegeven, er gebruik van te maken, want andere diergelijke gesprekken staan mij niet meer voor. Toch hebben wij ze gehouden, zooals blijkt uit den volgenden brief, dien ik opneem, juist omdat er een voor dien tijd belangrijk vraagstuk in behandeld wordt, waarin van Lennep zeker geen ongelijk had:

Amsterdam 8 Juli 1879.

Amice

Wij hadden het onlangs over het al of niet gebruiken van scheidbare, dus geaccentueerde voorzetsels in den val van iambische vaerzen.

Ik zeide U dat, indien dit niet mocht geschieden, men vele vormen en woorden in iambische dichtmaat niet zou kunnen gebruiken, waarop uw antwoord was, dat men het dan maar laten moest.

Mij schijnt, evenals in meer zaken, een middenweg de juiste. Er zijn woorden zooals stadhouder en Antwerpen, waarin de eerste lettergreep een flink hoofdaccent, de volgende slechts een, zij het krachtig, bij-accent heeft. Dergelijke woorden gebruike men liever niet in iambische maat en Antwerpen worde alleen in dactylen of anapesten bezongen.

Maar de infinitieven met scheidbare voorzetsels gevormd? Is het wel zoo zeker, dat men die, ten minste wanneer men buiten den zeer huiselijken kring is, als één woord uitspreekt? Zegt men b.v. in een meer duidelijk uitgesproken rede uitvoeren

Sluiten