Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERINNERINGEN AAN MR. W. W. VAN LENNEP 11

of wel üitvoéren, üitvorschen dan wel üit-vorschen, doorzagen of wel dóor-zagen, voortrekken of vóor-trékken, afstroopen of af-stróopen? Ja, ook enkele infinitieven gevormd met onf, zooals ontdoen! Is dat niet veeleer ónt-dóen?

Is mijn gehoor juist, dan grijpt er in al die gevallen een tmesis plaats, of liever de spreker bewijst door zijne uitspraak, dat de woorden eigenlijk voor hem niet samengesteld zijn.

Vraag eens, liefst niet aan Amsterdammers, *) die b.v. geen bezwaren hebben tegen de uitspraak, gróot-va-der (in 't Nederlandsch grootvader), maar aan Uwe niet-Amsterdamsche kennissen of aan Uwe literarische professoren. Zoo er een tmesis plaatst heeft, zult ge mij toe geven, dat uit-vorschen en uit-voeren in iambische maat recht van bestaan hebben.

Vondel en Bilderdijk, die een ander en zuiverder, meer Nederlandsch Amsterdamsen spraken dan dat van onze dagen, plaatsen de geaccentueerde praeposities in samenstellingen herhaaldelijk in den val.

Wijs bij de beantwoording van deze quaestie een beroep op de Vries en teWinkel af en vraag, dat men U het woord voorzegge, zooals men het voor een eenigszins talrijk publiek zou uitspreken.

Ik heb niets geen haast met het antwoord.

t. t.

W. W. van Lennep

Den ióden Juli antwoordde ik hem in 27 hexameters, yol onzin, waarin ik mij vermaakt had met de woorden of woordkoppelingen die door den klemtoon op de eerste of de tweede lettergreep een verschillende beteekenis krijgen, zóó te gebrui-

*) De Heer van Lennep placht het Amsterdamsch, dat in onze kringen gesproken werd. als hoog-haarlemmerdijks te beschimpen.

Sluiten