Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG

„Ontweek uw schepter! Al de lucht is leeg

oo „Van 't gloren van uw zilvren majesteit!

„Uw donder, hoorend naar zijn nieuwen heer, „Rolt, onverpoosd, rondom ons zinkend huis, „En 't scherp uws bliksems, in des roovers hand, l x "Xe!fib*un en schroeit ons eens zoo kalm gebied 05 „O lijdensuur, o uur als jaren zwaar,

"Die> w.aar ge gaat, de looden waarheid drukt „En drijft zoo diep in 't wrijnen van ons wee, „Dat twijfeling geen tijd van aadmen heeft! ' „Slaap voort, o Vader! Dwaze, dat ik waag ï 70 „Te spreken in uw sluimrende eenzaamheid „En oopnen wil den weemoed van uw oog, „O slaap, terwijl ik aan uw voeten ween."

Als wen in tooverboei van diep azuur In 't Juli-kleed, die Raden van 't geboomt 175 Oud-Englands eiken, onder 't starrenoog Al droomen, rustend over tak en twijg Totdat een suizend, klimmend, vol geruisch, Zich op hun zwijgen legt en zucht en gaat, ' Alsof de gansche lucht al zwijmend week, 80 Zoo kwam en ging haar stem, en, snikkend, hield Zy t schoone, blanke voorhoofd op den grond Zoo dat haar losgevallen haar zich, zacht, Op Kronos* voeten als een kleed verspreidde, o u Een.,maan ha<- reeds, in trage wisseling, P5 Haar zilvren weken in de nacht gestrooid, En nog behield dit paar zijn stand en scheen ten beeldengroep van witte stalaktiet: De God, bevrozen, buigende naar de aard

fcn, voor zijn voeten, treurend, die Godes

§0 Maar eindelijk sloeg Kronos de oogen op

Ts- 73-^-77. eerste lezing:

Als wen in 't statig zomer-midnachtnur, Ue hooge vroedschap van een grensloos woud. De koningsetken, bladstil, voor 't gestarnt. Pe"»2». en. zoo peinzend, roerloos «taan.

Sluiten