Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

HYPERION

Op 't helle diamant, en, door gewelf, Door torens, tempels, zinkend fondament,

235 Ging scheurende de felle slag. — Nog hield De dreuning aan, toen, godenbreidel wars, Het toornig woord aldus zijn mond ontsprong: „Droomen van nacht en dag, vervloekte schaar, „Van wee-gestalten! Spoken, wriemelend

240 ,,In 't klamme duister! Spiedend, schuiflend ras „Der zwart-bewassen poelen! Hades-kroost! „Hoe zie ik u? Wat voerde u opwaarts? Wat „Heeft dus mijn heilig zonneoog verwond, „Dat al uw wangebroed zich om mij dringt?

245 — „Maar Kronos viel, valt Hyperion ook? — „Moet ik de stille haven van mijn rust, „De wieg van al mijn roem, dit oord mijns heils, „De kalme weelde van mijn zalig licht, „Mijn tenten in het blauwe kristallijn

250 „En al mijn glanzend rijk verlaten? Is „Het dan niet reeds door mij verlaten? Is „Het nog mijn hoog verblijf? — Zijn ordening, „Zijn schittering, zijn glorie zie ik niet, „Maar duisterheên en dood en duisterheên!

255 ,,Ja hier zelfs, waar mijn hoogste vrede woont, „Breiden de schaduwen zich dreigend uit, „Tarten, verblinden mij in al mijn staat! „Maar vallen? - Neen! - Bij Tellus' levend kleed! ,,'k Zal uit de grenzen van mijn vlammend rijk

260 „Mijn y'z'ren arm verheffen, die den knaap, „Zeus den rebel, zijn donderkeil ontwringt, „En grijzen Kronos weêr zet op zijn troon!"

Hij sprak en zweeg, en, worstlend in zijn keel, Kwam op een zwaarder vloek, maar drong niet door,

265 Want juist als in een volle schouwburgzaal 't Gestommel toeneemt, als men sist en chüt, Zoo roerden al de bleeke schimmen zich, Als Hyperion sprak, driemaal zoo kil En grijnzend, en, van 't effen diamant,

Sluiten