Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG

37

270 Rees geel, als van een moerig meer, een mist, En, al zijn leden door, wrong zich omhoog, In kringen, van zijn voetzool tot zijn kruin, Een wee des doods, zooals een zware slang Zich langzaam opschuift, zwellend hals en kop,

275 Van overspannen kracht.

In 't lest ontvlood Hij naar zijn oosterpoorten, en zes uren Voor d'eigen tijd aan 't morgenlicht gesteld, Blies hij, ontzind, op 't sluimerziek portaal, Vaagde al zijn dampen weg, borst wijd de deuren

280 Lós over 't golvend grijs der kille zee. —

De gloênde dwaalstar, die hij, dag bij dag, Van Oost naar West, de heemlen door, bereed, Was ingesluierd in een zwart gordijn Van wolken-weefsel, maar niet gansch verdoofd,

285 Geblinddoekt of verschuild, want keer op keer, Glóm door nachtevening en starrenvloed, En dierenriem en scheemrende coluur Een wondergloor, en wrocht aan 't blauw gewelf Een teekening van lieflijk weerlicht, hoog

290 Tot aan het zenithpunt; hiëroglyph Door wijzen en scherpziende wichelaars Met werkende gedachte lang bespied, Doorvorscht, verklaard, gegrift op marmren muur— Wijsheid dier eeuwen, nu sints lang vergaan,

295 De steenen blijven, maar geen brein ontwart Hun diepe raadsels!

Op twee wieken dreef De wondre vuurbol, vleuglen zilverhei, Immer omhoog bij de aankomst van den God. En, blinkend, in het zacht öpscheemrend Oost,

300 Onmeetlijk, één voor één, rees pluim bij pluim, En wijder wies de nimbus; maar nog hield De spheer haar alverblindend licht omhuld, En toefde op 't hoog bevel van Hyperion. En gaarne had hij 't machtig woord geuit,

Sluiten