Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweede ZANG

INHOUD. Beschrijving van het toevluchtsoord der Titanen. — Aankomst van Kronos en van thea. — Rede van kronos. — Rede van océanus. — Klacht van clymené. — Toorn van encéladus. — Verschijning van hyperion.

Met d'eigen wiekslag van den vliênden tijd, Toen Hyperion dook in 't wijkend diep, Bereikte Kronos, met zijn trouwe gids. Het oord, waar Rhea zelf, de Koningin, 5 En, zwaar gekneusd, de felle Titans treurden. Het was een bergkloof, waar geen kwetsend licht Hun tranen zien deed, waar zij hun gesteun Wel voelden, maar niet hoorden, in 't gebons, Het gierend, loeiend, donderend gedruisch

10 Van steile katarakt en heeschen stroom; Als opgedreven uit een diepe rust Vloog top er tegen top, rots hield aan rots Haar reuzenhoornen dreigend aangeklemd; Één woeste bajert van gesteente omhoog,

15 Één stroeve mengeling van spits en spits Was 't vaal gewelf van dezen kring van wee. In plaats van tronen zaten ze op arduin, Op koetsen van bazalt en kantig lei Gehard met ijzer. — Allen waren niet

20 Op deze plaats vereenigd; sommigen

In pijn en boei en anderen — verstrooid. —

Cóeus en Gyges nevens Briareus Dólor en Typhon en Porphyrion En andren meer, de koensten in den strijd, —

25 Zij lagen met de zware borst gekneld,

18 Rustbedden van bazalt en kantig lei

Sluiten