Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG

41

Geperst, gekneed in loodzwaar element, De tanden saamgeknarst, de grootsche leen, Als aders van metaal vast aangesmeed, Verstijfd. — Alleen het vol, gefolterd hart

30 Hief zich in doods wee op en stuwde 't bloed, In stuipen, kokend, door de polsen voort. — Mnemosyne zwierf in een vreemd gewest; Ver van haar maan was Phoebe afgedwaald, En andren doolden, waar zij wilden, vrij,

35 Maar in deez' schuilplaats was het meerendeel. — De één hier, de één daar, geweldig, neêrgeleund, — Gestalten donker, stoer, bewegingloos, Nauw beelden nog van leven. — Zoo verrijst Druïdensteen bij steen, in steilen kring,

40 Op onbegane hei, in killen mist

Van laat-November, wen de scheemring grauwt En nacht bij nacht hun blauwe hoogkerk-boog, De hemel zelf, zijn blind gelaat omfloerst. Elk zat als in zijn doodswa; woord noch blik

35 Gaf buur aan buur, noch wenk van hoofd of hand Als teeken van de wanhoop van zijn ziel.

Zoo Créus; naast hem lag zijn ijz'ren knods, Daarbij — een rotskanteel — uitééngespat Voor zijne woede, toen hij zonk en zweeg.

50 Iapetus was daar, en, in zijn vuist, De zware nek van een geschubde slang, Tot slijk gewreven — heur gevorkte tong Diep uit de keel gedrukt, heur monsterlijf Ontrold en dood, omdat het dier zijn gif

55 In de oogen van den alverwinnaar Zeus Niet spuwen kon. — Daarnaast lag Cottus, De kin naar boven, als in pijn, want steeds Wreef persend hij zijn hoofd op 't hard gesteent' Met open mond en oogen wild verdraaid. —

60 Dan Asia, van groven Kaf geteeld, Onmetelijke dochter, die den schoot Van Tellus scheurde met een dieper smart

Sluiten