Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG

51

Zoo glinsterden diens lokken. Ademloos, In bleek en zilvren zwijgen wachtten zij, Toen, plotseling, een zee van morgengloor

395 z,icn over al die vale steilten goot, ■

Die ruimten, waar de erinn'ring zelf vergaat, En iedre kolk en iedren afgronds diep En iedre top en iedre norsche kloof, Zwijgend of heesch van stormen, wild crezweent.

400 En al dér katarakten eeuw'ge val, En al der stroomen bruisende geraas, Zoolang gehuld in duisternis en dood, Aanschouwden 't licht — en gruwlijk werd het

[licht! —

't Was Hyperion; 't welvende graniet

405 Ontvonkte vóór zijn voeten, en, van daar Bezag hij al de ellende, die zijn gloed Verraden had aan d'afschuw van haar oog. — Goud was zijn haar in kortgekroesde kracht En hoog de majesteit van zijn gestalte,

410 Een weidsche schaduw in zijn eigen glans. — Als Memnon's beeld bij d'ondergang der zon Voor hem die nadert van het donkrend Oost — En zuchten, treurig als dien Memnon's harp, Hij slaakte, met de handen in beschouwing

I415 Opééngelegd, terwijl hij zwijgend stond. — Neêrslachtigheid greep weer de Goden aan, Bij 't zien der droefheid van den God des daags, En velen hulden zich 't gelaat voor 't licht, Maar flitsend liet zijn oogen Encelaad

420 Gaan door den broederkring, en, voor hun vlam, Sprong Creüs op, sprong-óp Iapetus En Phorcus zoon der zee, en schreden voort, Tot waar de Zongod neerzag van zijn spits. Daar riepen deze vier vorst Kronos' naam

||25 En, van zijn spits, riep Hyperion: „Kronos!" In antwoord. Naast de moeder van de Goön

426 In antwoord. Naast de moeder van al de Goön

Sluiten