Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANTEEKENINGEN OP DEN EERSTEN ZANG

INHOUDSOPGAVE. De gevallen Oppergod heet in het Engelsen saturn. Zoo heet zijn groote tegenstander jove. Aan die Engelsche benamingen beantwoorden volstrekt niet de Latijnsche Godennamen SatüRNUS en jupiter of de Nederlandsche vervorming jupijn; KRONOS en ZEUS komen zoowèl in accent als in het tal van lettergrepen veel beter met het Engelsch overeen.

Naast kronos voegt dan rhea en niet, zooals in het gedicht van keats, eene Hemelkoningin ops. Ik heb daarom gemeend de Grieksche benamingen dier Goden te moeten gebruiken. Ik heb daarentegen, als vertaler van keats, niets geen bezwaar gemaakt om toch met hem de Aarde nu en dan Tellus en den Hemel Coelus te noemen. keats zelf mengt Grieksche en Latijnsche namen dooréén, zonder zich door iets anders dan de rhythmische waarde der lettergrepen te laten leiden. — Hij noemt den Hemel ook üranus. Hij brengt in dezelfde gevangenis bijéén, hooge Titanen, of Goden van de tweede dynastie, Giganten, veel later geworden wezens, allen vijanden van zeus, met gyges en Briareus, hun geduchtste tegenstanders en de trouwste bondgenooten van zeus, het hoofd der derde Godendynastie.

In dit opzicht is er wel eenige overeenkomst tusschen KEATS, een der meest bevallige dichters uit den tijd der Restauratie en dien laatsten grooten dichter van 't oude Rome, bij wien de Renaissance veel is school gegaan, CLAUOIANUS. Deze doet een Hellenraad voorzitten niet door PLUTO, maar door TlSIPHONE, misschien denkend aan eene Noordsche

Sluiten