Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68 AANTEEKENINGEN OP DEN EERSTEN ZANG

als zijne geweldige natuur door eene ongoddelijke koorts wordt aangegrepen, was, Waarschijnlijk, den vorigen avond voltooid. De pen wordt den volgenden dag of avond weêr opgevat en in 't eerst vlot de arbeid niet. Van den God, aan zijn plaag ontkomen, wordt gezegd dat hij naar zijn oosterpoort vlucht en daar. . . . „zes volle dauwige uren, vóórdat te zijner tijd de dageraad behoort te blozen, een vurigen adem blaast op de slaperige portalen." Het kon moeilijk gemaakter en platter. Maar de bezie' ling komt onder het dichten; achter de ten ontijde geopende dagpoorten zien wij de zon der Titanische periode, ingesluierd in een zwart weefsel van wolkgordijnen, slechts schijnbaar in rust. Hare machtige hartkloppingen werpen een geheimzinnigen weêrlichtschijn over alle bogen en gordels van den hemel, in den vorm van raadselachtige teekens, die door de wijzen en astrologen, toen levende op deze aarde, lang nagegaan, eindelijk ontcijferd, als hiëroglyphen in marmersteen worden afgebeiteld en voor de stervelingen van het jaar 1820 wêer even onverklaarbaar zijn als voorheen. — Bij U en ook bij den dichter is onder die beschrijving een zwak lichtbeeld opgekomen. Het groeit in de volgende regels, gij ziet vleugels die de zon dragen — glorievolle wieken — gij denkt aan eene aureool, — argent wings — dat is een fijner glans dan die van zilver, — ever exalted — het woord past het best bij de verheffing van het misoffer, en gij merkt als een stralenkrans der heiligen. Nu is bij den dichter en bij U ook het beeld van den eersten witten dageraad geheel opgewekt. Het stort zich dan in zijn volheid uit over twee weergalooze regels, in een schitterend weefsel van allitereerende poëzie, waarin f's en w's, de windsnelheid en lichtheid, assoneerende vocalen en vooral volle oe-klanken, de schoonheid, m's en n's, door welluidende trilling, de harmonie, zware veer-

Sluiten