Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanteekeningen op den tweeden zang 75

Grieken en Latijnen, welke kronos en Saturnus hebben vereerd.

keats poogt dien ouden natuurgodsdienst, van zijne dichterlijke zijde,1) duidelijk te maken en aan zijne tijdgenooten weer voor oogen te stellen, en heeft gemeend er den sleutel van te vinden in zijne eigene levenservaring. Zooals hij, bij het opkomen van zijne dichtkunst, de waereld heeft aanschouwd, zooals die waereld zich in alle tijden min of meer vertoont aan ieder gemoed, dat door natuuraanschouwing zijn eerste krachtige poëtische indrukken heeft ontvangen, zoo, meent keats, dacht men zich de Godenwaereld in het grijze verleden. keats zelf begint aan die voorstellingen te ontwassen; hij wordt ontvankelijk voor hoogere idealen of, op dichterlijk pantheïstisch standpunt, openbaringen van het Goddelijke. Voor den jongen keats was de schepping buiten den mensch, tot nu toe, bijna de eenige bron van dichtkunst geweest. In den ,,Éndymion" is zij, in de kuische Maan, het symbool van het verhevene, dat door den jongeling niet dan na harden strijd veroverd wordt; in hare nachtverschijningen is de Natuur de verleidelijke Fee, de .,Lamia", die plicht en waereld doet vergeten, maar die toch door de mannen van de wetenschap niet ruw weg gebannen mag worden, want wie haar verjaagt doodt tevens den dichter. In den „Endymion" is de diepe groene zee de stem der grootste geheimenissen. In de „Lamia" weêr is het avondrood, in de gestalte van den nederdalenden verliefden hermes, het beeld van de eerste reine jongelingsliefde.

Frisch was die opvatting, zooals men verwachten moest van zijne in hare smaken zoo gezonde natuur, die hem in een van zijne brieven doet zeggen: „In waarheid, de groote elementen, die wij kennen, zijn

1) van hare dichterlijke zijde.

Sluiten