Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JH.

EEN WINTERDAG.

In de sombere achterkamer, nooit door een zonnestraal vervroolijkt, belde Rie de meid om de afgewasschen koffieboel op te ruimen.

— „Is de post al voorbij, Keetje?" vroeg ze op den toon van een gevangene, die popelend op bevrijding wacht.

— „Ik denk, nog niet, Mevrouw," zei Keetje, terwijl zij het bordje vol verkruimeld brood voor de vogels opnam en meewarig verweet zij:

— „Alweer niet gegeten! U zal nog ziek worden."

— „Ik had geen trek, vanmiddag haal ik de schade wel in."

Zou Keetje Nico's barsche woorden hebben gehoord? Zou zij verband zoeken tusschen Rie's gebrek aan eetlust en haar verlangen naar een brief?

27

Sluiten