Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Even bleef zrj staan bij de serredeur, luisterend naar het roepen van de schelle kinderstem:

— „Jacques. kom dan toch! Of ik eet al de bramen alleen op."

Met gejaagde stappen liep zij door de met bloemen getooide kamers. Was 't niet dwaas zoo te schrikken van een naam? Was zij het verleden dan nog niet te boven? Wenkte dan niet de toekomst? Beloofde Hugo haar niet het geluk, dat Jacques haar niet had gegeven? Was zij niet besloten, de vergoeding, die het leven haar aanbood, dankbaar te aanvaarden? Had zij niet lang genoeg getreurd over de teleurstelling van haar huwelijk met Jacqües? Hield zij dan niet van Hugo? Verwachtte zij geen harmonisch samenleven met hem?

Verwarrend stormden al die vragen op haar af.

Neen, ging zij nu haar mooie toekomst vernielen, haar geluk aan flarden rafelen om een toevallig geroepen naam?

Zij had toch alles rijpelijk overdacht, zij handelde nu toch niet als een onervaren meisje, verliefd en blij met liefdewoorden en kussen? Zij was nu

76

Sluiten