Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15

Zooals gezegd, het practische monisme is niets bijzonders; maar dit is het bijzondere en het beslissende element in Fröbel dat hij die eenheid van al het bestaande niet opvat als een dood ding, op de wijze der oude Eleaten, maar id&jeen voortdurende werking, n.1. als openbaring. Alles wat is, is steeds bezig zichzelf, zijn wezen, de eenhefd, te openbaren, dat is: in de ver- { schijning te doen treden, van binnen naar buiten te keeren. Hier zijn we nu reeds terstond aangeland bij de groote dualiteit, die bij Fröbel niet los staat naast zijn monisme, maar juist onmiddellijk er uit voortvloeit, en die hij pleegt uit te drukken in reeksen van tegenstellingen als: het uiterlijke en het innerlijke', het zichtbare en het onzichtbare, het tijdelijke en het eeuwige, vereeniging en scheiding, het geheel en de deelen, maar het liefst in deze alles beheerschende tegenstelling „Einheit und Mannigfaltigkeit", want in de „Mannigfaltigkeit", de verscheidenheid, is het, dat de eenheid zich openbaart.

Tot zoover zijn deze gedachten volkomen duidelijk en bevattelijk, maar Fröbel heeft ze er m.i. niet op verbeterd door zijn streven om tusschen deze gepaarde tegenstellingen een bemiddelend derde lid in te schakelen. In zijn jongere jaren, als hij nog zoekt naar zijn wijsgeerige terminologie, vindt men bij hem, evenals bij Comenius, een half-mystische, half-religieuze, half speelsche behoefte om triaden te vormen, als daar zijn: God, natuur en mensch; leven, denken, handelen; Religie, natuurbeschouwing, kunst, en zulke triaden spelen ook in de Menschenerziehung nog een groote rol. In zijn latere jaren neemt deze gedachte den geliefkoosden vorm aan van „de wet van de verzoening der tegenstellingen" („Gesetz der Vermittlung der Gegensatze"), die tot een opvoedkundig principe van den eersten rang wordt verheven en o. a. zooals iedereen weet, de invoering van den cylinder, als den middelaar tusschen bol en kubus, in de speelgaven veroorzaakt heeft. Op de hoogte van zijn philosophisch denken echter is de staande, alles beheerschende formule, die hij telkens en telkens weer te pas brengt, deze: „Einheit, Einzelnheit und Mannigfaltigkeit". Hier baart het begrip „Einzelnheit" zwarigheden, die voor ons nog vermeerderd .worden door de omstandigheid, dat er geen goede hollandsche vertaling voor te vinden is; de beste lijkt mij nog „het bijzondere", maar

Sluiten