Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18

heid in alle verscheidenheid op te leiden tot de opvatting der natuur „als ein Lebenganzes". En zeg nu niet, gij vader, onderwijzer, kinderverzorger: daarvan weet ik niets, dat ken ik zelf nog niet. Want het gaat hier ook niet om het mededeelen van reeds bezeten kennis, maar om het te voorschijn roepen van nieuwe. Gij moet waarnemen, tot waarneming opleiden en u en uw kweekelingen het waargenomene tot bewustzijn brengen. Wetenschappelijke namen en termen hebt gij niet direct noodig, noch voor de natuurvoorwerpen zelf, noch voor hun eigenschappen, maar alleen een klare en zekere opvatting en bepaalde aanwijzing derzelven naar de natuur van het ding en van de taal. Het vertoonen van natuurvoorwerpen aan knapen en ze hun doen kennen is iets anders als de mededeeling van de namen der voorwerpen, of de mededeeling van vooropgevatte meeningen en begrippen, maar men moet die natuurvoorwerpen zelve doen aantreden en zich kenbaar maken in hunne zichzelf toonende en uitsprekende eigenschappen; het komt slechts er op aan, dat de knaap dat voorwerp leere beschouwen als dat bepaalde, zelfstandige voorwerp, als hetwelk het zich door zichzelf, door zijn vorm enz. openbaart. Het weten van reeds vroeger daaraan gegeven algemeen geldige namen is onverschillig, alleen het klare aanschouwen en duidelijke erkennen en juiste aanwijzen der eigenschappen, niet alleen van de bijzondere, maar ook van de algemeene, is gewichtig. Geef het natuurvoorwerp zijn lokalen naam, of, als gij ook dien niet weet, een, dien het oogenblik zelf u ingeeft, of, wat verreweg het beste is, geef het een langen, omschrijvenden naam, totdat gij den algemeen geldigen te weten komt; dat zal ook niet lang duren, want gij zult natuurlijk trachten uw kennis met de algemeene wetenschap in overeenstemming te brengen en daardoor te louteren en aan te vullen. Daarom, gij plattelandsschoolmeester, zeg niet: ik heb geen kennis van de natuurvoorwerpen, ik weet ze niet te noemen. Veel grondiger en hooger, uit- en inwendige, levende kennis van het bijzondere en de verscheidenheid dan uit de voor u toegankelijke boeken kunt gij u door getrouwe natuurwaarneming zelf verschaffen, al zijt gij maar een eenvoudig ontwikkeld mensch. Bovendien berust die zoogenaamde hoogere kennis gewoonlijk op verschijnselen en waarnemingen, die onder

Sluiten