Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

werkelijk was, van de meest intense belangstelling, het meest liefdevol zich verdiepen in alle mogelijke verschijnselen, der stoffelijke zoowel als der geestelijke wereld, omdat die hem alle wat te zeggen hadden. Het geringste en onschijnlijkste en verachtste wordt door hem niet versmaad. Met hoeveel liefde kan hij spreken van het onkruid: „Ja, in uwe tuinen misstaat het en roeit gij het uit", roept hij den menschen toe, „maar gaat naar buiten waar het in zijn natuurlijken staat in het wild groeit en vermeit u in zijn heerlijkheid!" Voor alles heeft hij oog en zin, omdat alles hem iets te zeggen heeft. En laat daar nu wat en wat heel veel symbolisme onder door ioopen, dat schaadt niemand, en voor Fröbel was het zelfs goed, want het deed hem den blik op het geheel behouden en voorkwam alzoo, dat het zich verdiepen in de détails werd tot een verdrinken daarin. En voor ons bevat het een nuttige les: Fröbel herinnert ons aan de onloochenbare psychologische waarheid, dat een mensch, dus ook een onderwijzer en zijn leerlingen, zich alleen voor de dingen interesseert wanneer ze hem iets te zeggen hebben, of wanneer hij althans de beteekenis ervan op het spoor meent te zijn. Als Fröbel dus aan alle onderwijs den eisch stelt, dat de belangstelling zal opgewekt worden door het verband der dingen te doen inzien, dan geef ik hem schoon gelijk en mijn eigen onderwijzerservaring strookt daarmede, en dat recept bevalt mij vrij wat beter dan de koude thee van het Herbertiaansche „vielseitige gleichschwebende Interesse", getrokken vandegeurlooze bladen van het welgeordend apperceptiemateriaal.x) Schijnbaar is er veel overeenkomst, in werkelijkheid een hemelsbreed verschil, vooral als wij weer letten op den geest. De Herbertiaan meent, dat hij voor de appercipieerende voorstellingen moet en kan zorgen en hij stelt ze dan ook eerst zorgvuldig op als dignitarissen op een perron bij de ontvangst van een vorstelijk personage — en de kinderen zitten er bij en geeuwen; de Fröbeliaan zorgt door woord of gebaar ervoor, dat datgene, waarmede het kind bezig gehouden wordt of dat hem aan-

1) Voor wie dat noodig mocht hebben merk ik op, dat ik met deze en dergelijke uitdrukkingen, die niet bepaald van sympathie getuigen, geenszins den grooten meester zelf bedoelde te kleineeren, maar alleen het -ianisme zijner volgelingen te bestrijden, zooals zich dat in hun schoolonderwijs openbaarde.

Sluiten