Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

te ontwerpen, waar het kind nr één is en dat uit de natuur van

- het kind is afgeleid. M. a. w. hij tracht reeds daar te doen

- voor den knapenleeftijd, wat hem later voor den kleinkinder_ leeftijd zoo wondervol gelukt is. Toegegeven dat hij hier minder -7 gelukkig is geweest*); maar het principe was toch opgesteld,

- niet alleen met betrekking tot de aanbieding, maar, wat mij

- vooral gewichtig schijnt, ook tot de keuze der leerstof. Op de vraag: wat moet de school onderwijzen, waarin moet de knaap als scholier onderwezen worden ? luidt zijn antwoord (bl. 85): „slechts de beschouwing van datgene, wat de ontwikkeling van den mensch in den knapenleeftijd, als knaap en als scholier, is en vordert, kan tot beantwoording dezer vraag voeren; de kennis van deze vordering ontspruit echter slechts uit de verschijning des menschen als knaap". Uit de wijze, waarop de

te bewijzen, wanneer wij het een en ander daarvan wegsnijden en vooral wanneer wij daarvoor er iets anders op- en inenten. Gott propft und oculiert nicht, en zoo moet ook de menschelijke geest niet ingeënt worden, maar God ontwikkelt het kleinste en onvolkomenste in steeds opstijgende reeksen naar eeuwige, in zichzelf gegrondveste wetten".

') Er ligt met dat al in dat tweede deel der Menschenerziehung, dat van den schoolleeftijd handelt, heel wat bruikbaar materiaal opgestapeld, speciaal voor het zaakonderwijs. Ook voor onze lagere school ware dus in de eerste plaats daarheen te verwijzen. Natuurlijk vindt men er veel, dat thans reeds -gemeengoed geworden is, zoo de eisch, dat alle onderwijs moet uitgaan van

- en aanknoopen aan de omgeving van het kind. De medegedeelde leerproeven herinneren sterk aan Pestalozzi; aan Rousseau de eisch, dat de leeraar eigenlijk altijd het oogenblik moet afwachten, dat voor de uitbreiding der leerstof met een nieuwe vertakking het gunstigst is, waarvoor thans de uitdrukking „de gevoelige periode" in de mode is, een denkbeeld dat bij Fröbel al minstens

- even goed is uitgewerkt als bij Montessori en zeker veel ernstiger, grondiger, inniger opgevat dan bij Rousseau, die zich niet ontziet allerlei kunstmiddeltjes te baat te nemen om l'ïntérêt présent bij het kind op te wekken, terwijl Fröbel

- spreekt van het oogenblik, dat zich aan den tak een nieuw oog vormt, welk oogenblik de onderwijzer zorgvuldig moet trachten te bespieden. Eén citaat nog slechts uit die hoogst belangrijke bladzijde 183, om te doen zien, met hoeveel recht ik straks den Fröbeliaanschen tegenover den Herbertiaanschen onderwijzer heb gesteld: „Het wezen van een waarlijk natuurlijk onderricht

| bestaat grootendeels in het uitvinden en vasthouden van dat oogenblik; geschiedt dat, dan ontwikkelt zich het onderwijs vanzelf daaruit als ieder „Lebensganze" zelfstandig voort en onderwijst zoo in recht eigenlijken zin den onderwijzer zelf", (ik cursiveer).

Sluiten