Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30

einde. Zoo komt hij, evenals Rousseau, — een nieuw bewijs hoe gemakkelijk op paedagogisch terrein tegengestelde stroomingen in mekaars bedding kunnen vloeien, want Rousseau heeft zeker nooit van het evolutiebegrip gedroomd — tot de onderscheiding van bepaalde leeftijden, die verschillende ontwikkeiingstrappen vertegenwoordigen, een eigen karakter vertoonen, en een eigen behandelingswijze vereischen en tot den eisch, dat de opvoeding de natuurlijke ontwikkeling niet mag storen, maar slechts op den voet moet volgen; dat zij, zooals hij zich uitdrukt „leidend und nachgehend, nicht vorschreibend, bestimmend, eingreifend" moet zijn (M. E. bl. 6. Verg. bl. 7x)). Dat voert hem evenwel niet tot de passieve, geheel negatieve opvoeding, die Rousseau predikt; integendeel, hoewel de rechtgeaarde moeder de ware natuurlijke opvoedingsprocédés vanzelf vindt, zoo is dat niet genoeg: „maar het is noodig, dat zij het Ieere doen als een bewust wezen en als inwerkend op een wezen, dat bezig is bewust te worden, dat zij tot gestadige menschontwikkeling voeren moet, en in een vasten, innerlijk levenden, zichzelf bewusten samenhang" (bl. 37). Want „ook het hoogste, kostelijkste goed gaat den mensch verloren, wanneer hij niet weet en niet kent wat hij bezit, wanneer hij zich daarvan niet bewust is, en zoo met bewustheid, vrijheid en zelfbepaling vasthoudt, en uit zichzelf met bewustheid vrijheid en eigen keuze doet te voorschijn treden" (bl. 84). Door onkunde en onthouding kan zooveel verzuimd, zooveel ook ontijdig en onherroepelijk vertrapt en vernield worden.

Een volgend punt, dat opmerking verdient, en dat ook van verre strekking is, is dit; bij Fröbel gaat alles van binnen naar buiten. Wel zegt hij voortdurend, dat er ook een weg is van het uit- naar het inwendige, van de verscheidenheid terug naar de eenheid, van de natuur terug naar God, maar het is toch beteekenisvol, dat hij dit een terugweg noemt. De eigenlijke

x) „Planten en dieren, jongen planten en jongen dieren, geven wij ruimte en tijd, wetend dat zü och dan naar de in elk hunner werkende wetten schoon ontwikkelen en goed opwassen; jongen dieren en jongen planten gunt men rust en zoekt gewelddadige, ingrijpende inwerkingen te vermijden, wetend dat dit hun gezonde ontwikkeling zou storen; maar de jonge mensch is den mensch een stuk was, een klomp leem, waaruit hij kneden kan wat hij wil"^

Sluiten