Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64

opvoeding is omgang. Immers, hoe zal de eene mensch invloed uitoefenen op den anderen dan door met hem om te gaan? Ik weet wel, dat er ook een omgang is door het geschreven woord, waardoor zelfs de dooden nog tot ons spreken; daarom worden ook de groote dichters en denkers terecht de opvoeders der menschheid genoemd. Maar, hoe waar dit ook zij, daar hebben wij op het oogenblik niets mee te maken. Want een onderwijzer is als zoodanig niet iemand, die stichtelijke boeken schrijft voor zijn leerlingen, maar die dagelijks met ze omgaat om hun onderwijs te geven.

Maar daarom behoort hij ook of hij wil of niet tot hun opvoeders. Is opvoeding omgang, evenzeer is alle omgang van ouderen met jongeren opvoeding. Want wanneer menschen met elkander omgaan, dan gaat er altijd invloed uit van den een op den ander, maar vooral van de sterken op de zwakken, van de kundigen op de onkundigen, van de rijpen op de onrijpen. En dus ook van den onderwijzer op zijn leerlingen. Het was dan ook niet toevallig of per ongeluk, maar opzettelijk, dat ik zooeven zeide: niemand is verantwoord, wanneer hij de opvoeding van een kind, waarmede hij in aanraking komt, verzuimt; want in den strengsten zin des woords is ieder, die met een kind in aanraking komt, een opvoeder van dat kind. Dit geldt ook van toevallige en tijdelijke aanrakingen, want een enkele ontmoeting kan voldoende zijn om een levenslangen indruk op het kind te maken; hoeveel te meer dan van den dagelijkschen en jarendurenden omgang tusschen den onderwijzer en zijn leerlingen? Het is dus niet de vraag of de onderwijzer zich ai of niet beschouwt en gevoelt als opvoeder zijner leerlingen; hij is het, ook tegen wil en dank. Alleen maar, daarmede is nog niets beslist omtrent de vraag of hij voor hen een goed of een slecht opvoeder, d. w. z. een opvoeder ten goede of ten kwade, zal zijn. Want beide is mogelijk, en van te voren kunnen wij aannemen, dat altijd beide tegelijk het geval zal zijn, want niemand is volmaakt, en van niemand gaat uitsluitend goede invloed uit. Maar behoeft het opzettelijk betoog, dat de kansen, dat er goede invloed van hem zal uitgaan, dat hij een goed opvoeder voor zijn leerlingen zal zijn, veel beter zullen zijn voor hem, die zich ook werkelijk tegenover hen gevoelt als verantwoordelijk opvoeder dan voor hem, die zich daarover het hoofd niet breekt?

Sluiten