Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

71

van den mensch, den scheppingsdrang. Arbeid kweekt eerbied voor arbeid en dat is een der gewichtigste „maatschappelijke deugden", die men bedenken kan. Arbeid doet nog meer: arbeid kweekt eerlijkheid en goede trouw. Want arbeid stelt onverbiddelijk in het licht het verschil tusschen goed werken en knoeien. In arbeid is geen plaats voor huichelarij en veinzerij; het kan nooit langer dan zeer korten tijd verborgen blijven, wanneer iemand slechts doet alsof hij arbeidt en in werkelijkheid niet of slecht arbeidt. Arbeid kweekt altruisme, want in onze maatschappij is arbeid voor zichzelf altijd noodzakelijk tevens arbeid voor anderen; de luiaard is de ware egoïst, het echte maatschappelijke onkruid. Kortom arbeid is de rechte oefenschool der zedelijkheid, de rechte toetssteen van het karakter.

Maar als ik hier het loflied van den arbeid zing, dan denk ik uitsluitend aan den echten arbeid, dat is die, welke aan deze twee voorwaarden voldoet, dat hij werkelijk iets produceert en dat de arbeider daarbij zelf werkzaam is, dat zijn werk ook werkelijk zijn werk is. Deze twee voorwaarden nu zijn bij technischen, lichamelijken arbeid veel gemakkelijker te vervullen dan bij geestelijken en ook daarom is de ambachtsschool er beter aan toe dan de lagere school, en is dit een der hoofdredenen waarom wij ijveren voor invoering van den handenarbeid op de lagere school. Het kind, dat zich door zijn onderwijzer aardrijkskunde Iaat leeren, kan daarbij geheel passief blijven en is het ook meestal. Maar bij gymnastiek, schrijven, teekenen, zingen, slöjd, en a fortiori bij timmeren, smeden, metselen, kortom bij alle ambachten heeft het geen andere keus dan tusschen zelf doen of niets leeren, is er geen andere weg om vorderingen te maken dan die der zelfwerkzaamheid.

Ik geloof dan ook, dat een vakonderwijzer aan een ambachtsschool geen grooter didactische fout kan maken dan wanneer hij zijn leerlingen telkens het werk uit de handen neemt om het zelf te doen; maar daarmede zou ik komen op voor mij verboden terrein. Ik keer dus gauw tot mijn eigen gebied terug en wijs er nu op, dat ik zooeven reeds het allerbelangrijkste woord uitgesproken heb dat in heel deze bespreking gezegd kan worden, het woord Karakter. Want dat is in alle opvoeding het hoogste, datgene waar het eigenlijk om te doen is, waar het ten slotte

Sluiten