Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan volwassenen; eeuwen en eeuwen lang, immers tot diep in de Middeleeuwen, waren die kloosterkinderen eigenlijk de eenigen, die reeds op kinderleeftijd „christelijk" onderwijs ontvingen.

En ook toen gaandeweg de leeftijd van toelating tot de kerkgemeenschap daalde en ten slotte de kring der catechumenen niet meer beperkt was tot de zich vrijwillig en met bewustzijn aanmeldende volwassenen, maar alle kinderen omvatte, die van christelijke ouders geboren en gedoopt waren, bepaalde zich het onderwijs, dat de kerk aan de groote massa verschafte, vrijwel tot het aanleeren van het Vader Onzer, de Tien geboden en wat kerkgezang. Wat de Kerk meer te geven had, en dat was niet weinig, was alleen bestemd voor haar eigen toekomstige dienaren, en buiten die alleen toegankelijk voor wie zich daaraan wilde aanpassen. Alles wat daarbuiten lag, zoo bijv. in de M. E. de hoofsche en de ridderlijke opleiding, was „wereldsch".

En de M. E. zetten daarmede slechts de praktijk en de traditie van het oude, grieksch-romeinsche Christendom voort. De kinderen der grieksche en romeinsche Christenen hebben nooit een christelijke school bezocht om de eenvoudige reden, dat zij er niet was en hun ouders hebben nooit aan de oprichting daarvan gedacht. De opleiding, die zij hun kinderen ten deel lieten vallen, was, met uitzondering alleen van het streng-religieuze deekzuiver heidensch, was eenvoudig de opleiding, die de heidenen hun kinderen gaven1). Een christelijke paedagogiek heeft zich dan ook niet ontwikkeld; die begint eerst ± anno 1700, n.1. bij A. H. Francke.

Hoe vreemd dit ook op 't eerste gezicht schijne, toch leert eenig nadenken spoedig, dat het zoo moest zijn. Immers een paedagogiek moet natuurlijk het geheele leven omvatten, maar de Kerk heeft slechts stukjes bewerkt, een kloosterpaedagogiek hier, een proponenten-paedagogiek daar, en dan nog hoe onzelfstandig en armelijk! Dit echter was, gelijk men gemakkelijk inziet, het noodzakelijk gevolg van die eigenaardige opvatting,

l) Verg. den eersten Bundel, bl. 94—97. Ook in bovengenoemde brieven van Hieronymus is het op „onderwijs" betrekking hebbende gedeelte eenvoudig uit Quinctilianus overgenomen.

80

Sluiten