Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

87

zonder zich om iemand anders te bekommeren, of zooals het tegenwoordig heet: waarom zou hij zich niet „uitleven" ? Maar dat is natuurlijk de dood van allen kultuurarbeid; werd die opvatting algemeen, dan zou binnen een paar generaties alle cultuur weder totaal verdwenen zijn. Het voortbestaan en meer nog de voortdurende ontwikkeling der cultuur zijn slechts verklaarbaar, wanneer men aanneemt, dat althans een groot deel dergenen, die daaraan arbeiden, aan die cultuur een waarde toekennen, die verder gaat dan het belang en de lusten van den enkeling. Daar nu die cultuur uitsluitend op het aardsche leven gericht is, zoo is daarmede tevens gezegd, dat in de schatting harer bewonderaars dat aardsche leven een zelfstandige waarde heeft, niet slechts voor den enkeling maar ook en vooral voor de menschheid. Dit gevoelen nu kan men moeilijk beter omschrijven dan Ellen Key het doet, als zij zegt: zij gelooven in het leven. Deze geloovigen noemt zij „die LebensglSubigen", en hun geloof, dat zij met evenveel hartstocht als overtuiging stelt tegenover de „Weltflucht" von het Christendom, noemt zij den „Lebensglaube".

Er is iets sympathieks in deze prediking van een levensgeloof, en het is volkomen begrijpelijk, dat zij inslaat in een tijd, waarin het leven werkelijk zoo vol en veelbelovend is geworden. Men voelt, dat hier inderdaad een kracht ontwikkeld wordt en dat het dus niet aangaat zich er van af te maken met een paar smalende woorden of zalvende klachten of eenige bijbeltexten.

Wie zich daartegen van de innerlijke holheid en wetenschappelijke onhoudbaarheid dier prediking wil overtuigen, dien kan ik geen beteren raad geven dan om vlijtig de werken te bestudeeren van den beroemden professor in de wijsbegeerte, Rudolf Eucken te Jena, en met name dat merkwaardig boekske: „Können wir noch Christen sein?" x). Heel die heerlijke cultuur, waar Ellen Key en hare Levensgeloovigen zoo prat op gaan, Eucken noemt haar, niet zonder een tikje minachting maar met onwedersprekelijk recht, immers de Levensgeloovigen zeggen zelf niets anders te willen: Daseinskultur, of nog nog duidelijker: blosse Daseinskultur. Ik behoef zeker die benaming

x) Met deze aanprijzing wil ik geenszins zeggen, dat ik Eucken's opvattingen en conclusiën in alle opzichten deel. In den grond ben ik geen geestverwant van hem. Maar ik acht zijne prediking allernuttigst en -noodzakelijkst voor onzen tijd.

Sluiten