Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

voor Zedelijke Opvoeding waren de bekwaamste en geestdriftigste en overtuigdste aanhangers der zoogenaamde natuurlijke zedeleer aan het woord. Met gloed en kleur betoogden zij, dat de moraal niets uit te staan heeft met godsdienst en hoegenaamd niet daarop gegrondvest kan worden, maar dat zij een natuurlijke basis heeft. En waarin bestaat dan volgens hen die natuurlijke basis? Daarin, dat wij allen, als wij ons diepste wezen peilen, op den grond daarvan vinden een stem, waaraan wij moeten gehoorzamen, een categorischen imperatief, die ons duidelijk zegt, wat goed, wat slecht is. Is het nu niet hoogst merkwaardig op te merken, hoe deze menschen stekeblind zijn voor het feit, dat datgene, wat zij aldus op den bodem der menschelijke natuur ontdekken, met geen mogelijkheid tot het gebied der Natuur kan gerekend worden, aangezien de natuur absoluut niets weet van zedelijkheid of onzedelijkheid? Zij kent alleen het „Du musst", niet het „Du so 11 st". Indien die basis der moraal dus tot de menschelijke natuur behoort, welnu, dan behoort die menschelijke natuur voor 't minst voor een deel (en wel het diepste deel) van haar wezen tot een ander gebied, een andere wereld, dan die der bloote Natuur.

Zoo bergt de cultuur zelf in zich een innerlijke tegenstrijdigheid, die steeds meer openbaar en voelbaar wordt, naarmate die cultuur hooger stijgt en die ten slotte den mensch onverdraaglijk wordt. Want hoe hooger zij stijgt, des te meer wordt zij zelve tot een macht over den mensch, en hoe meer zij macht krijgt over den mensch, des te meer eischt zij hem voor zich op en bedreigt zij zijn geestelijke zelfstandigheid.

En daardoor wekt zij juist bij hem het instinct van geestelijk zelfbehoud. Want dit is er ook, net even goed als het instinct van lichamelijk zelfbehoud, en dit is een nieuw en afdoend bewijs, dat de mensch iets meer is dan bloot natuurwezen. De cultuur moge haar naasten oorsprong vinden in laatstgenoemd instinct van lichamelijk zelfbehoud, zij zelve roept een ander instinct wakker, dat zich ten slotte tegen haar schrap zet en dus niet uit haar geboren kan zijn: het instinct van geestelijk zelfbehoud. De mensch, zoo betoogt Eucken ongeveer, heeft een impérieuze behoefte aan een zelfstandig geestelijk leven, wel gevoed door, maar niet onderworpen aan de „Daseinscultur",

Sluiten