Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

102

voor dat leven van geen of te weinig waarde is. Ouders en opvoeders missen daarom het recht hun kinderen en opvoedelingen uit naam van hun levensbeschouwing of van het een of ander dogma aan zoodanige kwade kans bloot testellen; welke ook hun religieuze overtuigingen zijn, op hen rust de plicht hun kinderen naar vermogen ook voor dit leven uit te rusten, tot bruikbare menschen op te leiden en te doen en te helpen opleiden. Ook indien zij daarvan gering mochten denken — zij zouden er ongelijk aan hebben, maar indien zij zoo onverstandig of bekrompen waren — ook dan nog behooren zij indachtig te zijn aan het woord van Christus, dat men ook in het kleine en geringste getrouw moet zijn. Heeft Christus zelfs niet zijn volgelingen op het hart gedrukt zich vrienden te maken, uit den onrechtvaardigen Mammon? Ja, heeft Hij niet, in dien paradoxalen vorm, dien Hij zoozeer beminde en zoo meesterlijk hanteerde, aan de vraag: „Zoo gij in den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware toevertrouwen"? deze vraag toegevoegd: „En zoo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven" ? Oppervlakkig beschouwd zou men zeggen: hier moet een fout in de overlevering schuilen; het moet natuurlijk juist andersom luiden: zoo gij in het uwe niet getrouw zijt geweest, wie zal u eens andermans goed, n.1. het zijne, geven? Maar deze paradox ontvangt juist uit den samenhang licht, een licht, dat wij hier zoo goed gebruiken kunnen: indien de mensch in die dingen, die hem eigenlijk vreemd zijn, de dingen van dit aardsche, wereldsche vergankelijke bestaan, niet getrouw is, zoo kan God hem ook niet zijn eigen dingen, de dingen van zijn eigen waarachtig, geestelijk bestaan, toevertrouwen.

Ouders dus, die niet getrouw zijn in de wereldlijke opvoeding hunner kinderen, behoeven zich waarlijk niet voor bijzonder begenadigd te houden om hun godsdienstige opvoeding te behartigen. Zij moeten beginnen met „in het minste getrouw te zijn".

Het „minste", dat zal hier wel zijn de eenvoudige opleiding tot een kostwinning. Daar mag niemand verachtelijk van denken of spreken, die mag" geen opvoeder verwaarloozen. Maar het is „het minste", en zoo zeker als hij verwerpelijk is, die in het minste niet getrouw is, zoo zeker is hij het, die het minste

Sluiten