Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

107

denkbeeld, dat dit aardsche leven, ook in zijn hoogste openba- ' ringen, het waarachtige leven niet is en per slot van rekening ! de moeite niet waard is, maar dat er een ander, hooger leven is, dat wèl dien naam verdient, en dat de mensch daarvoor bestemd is en daartoe moet trachten te komen en dat de opvoeding in de eerste plaats geroepen is hem daarbij behulpzaam te zijn.

Maar ik behoef zeker ook niet te zeggen, dat ik mij persoonlijk dat waarachtige leven niet anders kan denken dan in directe betrekking tot den levenden God, en ik mag eraan herinneren, dat ook de wijsgeer Eucken van zijn philosophisch standpunt tot dezelfde erkenning kwam, en daarbij ook erkende, dat de mensch zich dat leven niet zelf geven kan, maar het alleen van God kan ontvangen, dat hij „verlost" moet worden, hetwelk alleen kan geschieden door een wonder Gods.

Maar ik voor mij ga nog een stap verder en belijd als mijn geloof, dat dit ook niet kan buiten den levenden Christus om, want ik heb de waarheid ervaren en van Zijn woord (een woord, tusschen twee haakjes, ons in een synoptisch evangelie overgeleverd: Luk. 10, 22, verg. Matth. 11, 27) „Niemand weet wie de Zoon is dan de Vader en niemand wie de Vader is dan de Zoon en wien het de Zoon zal willen openbaren". En ik geloof, dat, wanneer Hij ons die allerdiepste en allerhoogste levenswijsheid verkondigt, dat wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, en dat er geen vergoeding is voor de schade, die een mensch lijdt aan zijn ziel, dat daarop dan ten volle toepasselijk is, wat Hij elders zegt: „mijne leer is de mijne niet, maar wat ik bij mijnen Vader gehoord heb, dat verkondig ik ulieden". Ik geloof dan ook, dat een godsdienstige opvoeding, die buiten dien levenden Christus omgaat en zoo ook al niet, dan toch in ieder geval niet tot Hem henenleidt, vroeg of laat afsterft als een plant, welker wortelen zijn afgesneden, en afsterft zonder levend zaad te hebben voortgebracht.

Maar ik Iaat het oordeel dienaangaande over aan de ervaring, aan God. In ieder geval zal de godsdienstige opvoeding, en met name die, welke een christelijke wil heeten en zijn, moeten

l) Dezelfde meening vindt men bij Kant, zie mijn inaugureele oratie „Pro Domo", Utrecht, van Druten, 1923, bl. 19.

Sluiten