Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

en zulks juist hierom, omdat men den innerlijken samenhang der deelen erkent en diep gevoelt» Want dan kan en mag men ook een latente werking aannemen, die allerminst verwerpelijk behoeft te zijn en onder omstandigheden zelfs de voorkeur kan verdienen.

Immers juist omdat de godsdienst de geheele opvoeding als een zuurdeesem moet doortrekken, oordeelen diep-religieuze naturen niet zonder goeden grond, dat die deesem niet altijd, te pas en te onpas — wat onvermijdelijk is, wanneer men gezette tijden daarvoor stelt — opzettelijk naar voren gebracht moet worden. De godsdienstige factor is, zoo meenen zij, van zoo fijne, edele en teedere natuur, dat zijn behandeling van de personen en de gelegenheden een mate van geschiktheid en intimiteit vordert, die niet opgecommandeerd en door geen texten boven de schoolpoort of in de leervertrekken gewaarborgd kan worden. Het behoeft waarlijk niet eerst bewezen te worden, dat door ontstentenis van die geschiktheid en die intimiteit groote en onherstelbare schade aan de heilbegeerige zielen der kinderen kan worden toegebracht en met de beste bedoelingen vaak toegebracht is. Hoe goed ook volbloed voorstanders van de Christelijke school dat gevaar kennen, blijkt o.a. op merkwaardige wijze uit een betoog voor „meer objectiviteit in de opvoeding", dat de heer R. J. Dijkstra onder den titel „Paedagogische Conflicten" in jaargang 1915 van het Paed. Tijdsch. v. h. Chr. Onderwijs geleverd heeft, en waar wij bl. 165 deze uitspraak lezen: „Ook in het persoonlijk gebed is groote omzichtigheid te betrachten. Ik weet niet, of ik als vader dit recht wel zou afstaan aan den onderwijzer mijner kinderen" (ik cursiveer). Dus blijft, zoo mag men vragen, voor Uwe „Christelijke" school slechts het „onpersoonlijk" gebed over? Inderdaad, van hier tot de uitspraak: „ik weet niet of ik als vader het recht van de godsdienstige opvoeding mijner kinderen wel aan hun onderwijzer af zou staan", // riy a gu'un pas; want wat heb ik aan een onpersoonlijke opvoeding?

Of staan wij hier voor de onoverkomelijke kloof, die, zooals telkens weer blijkt, ten onzent, „confessioneelen" en „ethischen" scheidt? Maar ik ken volbloed „gereformeerden", die uit pure gereformeerdheid overtuigde voorstanders zijn van de „neutrale" school. De godsdienstige opvoeding kan immers volgens den waarachtigen geloovige nooit menschenwerk zijn, en de

Sluiten