Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

zoo lang een belangrijke rol heeft gespeeld en waarvan de resultaten nog zoo kwaad niet waren.

Toen in datzelfde Engeland de Infant Schools een groote vlucht begonnen te nemen, stichtte dr. Mayo in 1831 de Home and Colonial Society voor de opleiding van bewaarschool-onderwijzeressen. En de groote Fröbel heeft zelf, toen hij in 1839, op 57 jarigen leeftijd, eindelijk toe was aan de verwezenlijking van zijn levensdoel, te Blankenburg niet zooals velen meenen de eerste Fröbelschool gesticht, maar een Opleidingsschool voor onderwijzers van kleine ~kïnderen, die aanvankelijk, merkwaardig genoeg, alleen mannelijke kweekelingen had. En toen zijn naam en denkbeelden ong. 1860 via Bertha von Marenholtz— Bülow enMevr.Elise van Calcar in Nederland doordrongen, was het eerste gevolg daarvan de oprichting der Leidsche Kweekschool voor Bewaarschoolonderwijzeressen.

Zoo zou ik de voorbeelden kunnen vermeerderen om aan te toonen, dat de moderne maatschappij, sinds zij ernstig het werk van het volksonderwijs ter hand nam, en overal waar zij dit deed, van stonde aan met daden toonde te begrijpen, dat op dit terrein niets duurzaams te bereiken valt zonder een behoorlijk voor zijn taak opgeleid „corps enseignant". De belangrijkheid en de noodzakelijkheid van de beroepsopleiding van onderwijzend personeel is dan ook sedert meer dan een eeuw in alle beschaafde landen iets, dat niet meer bediscussieerd wordt, tenzij dan om op voortdurende verbetering aan te dringen.

Overal echter maakt deze beweging halt als de grens van het lager onderwijs bereikt is, en het is op dit merkwaardig feit, dat ik de aandacht wilde vestigen. Behalve in Duitschland is men overal eerst zeer veel later, en niet dan schroomvallig en onwillig en op weinig doortastende wijze, er toe overgegaan ook voor het onderwijzend personeel van de middelbare school — ik begrijp daaronder alle scholen tusschen de lagere en de Universiteit— een beroepsopleiding verplichtend, of ook maar opén te stellen. Weinig staten zijn echter op dit punt zóó achterlijk als Nederland, dat trouwens ook tot 1918 op een Ministerie van onderwijs heeft moeten wachten. De zaak verkeert bij ons nog geheel in embryönalen toestand. De wetsontwerpen van de Ineenschakelingscommissie, die sedert hun

Sluiten