Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132

zeggen, dat deze instellingen bij de betrokken personen warme sympathie wekken; men vindt ook daar in de leerarenwereld, ofschoon ongetwijfeld gemiddeld paedagogisch veel beter geschoold dan bij ons, toch vaak meer resignatie dan enthousiasme en dikwijls stemmingen, en ook wel een volslagen afwezigheid van paedagogisch kunnen, die sterk aan vaderlandsche toestanden herinneren.

Vanwaar dit? Men zou toch zoo zeggen, indien het althans in deze dagen nog geoorloofd is een duitsch spreekwoord aan te halen: „Was dem einen recht ist, soll dem andern billig sein". Waarom zou voor „leeraren" (de onderscheiding in titulatuur is op zichzelf al zoo typisch) niet hetzelfde gelden als voor „onderwijzers" ? Is hun taak, paedagogisch beschouwd, soms minder belangrijk, minder verantwoordelijk dan die der onderwijzers aan de volksschool? Men zal toch niet antwoorden dat deze bevoorrechting van het L. O. een der geurigste bloemen is, aan den boom der democratie ontloken?

Ik heb mij niet voorgesteld thans de redenen te ontvouwen, die de paedagogiek in het algemeen, in vele en met name de academische kringen, onbemind en verdacht maken; voor dat onderwerp verwijs ik naar de uitnemende inaugureele oratie van prof. Casimir: De waardeering der toegepaste Opvoedkunde. Ik wil thans alleen trachten na te sporen waarom de middelbare school, èn in het algemeen èn speciaal in Nederland, zulk een onwillige en afwerende houding tegen de paedagogiek aanneemt. Kritiek op die redenen kan ik natuurlijk niet geheel vermijden, maar ik zal er niet mijn hoofdwerk van maken en de beslissing over de al of niet geldigheid aan den lezer overlaten.

De eerste reden is, dunkt mij, een meer uiterlijke. In een cultureele samenleving is er geen enkele betrekking of beroep denkbaar, waarvoor het aantal van hen, die daartoe een natuurlijke begaafdheid bezitten, en bovendien door een natuurlijken drang naar die betrekkingen heengedreven worden, niet aanzienlijk geringer is dan het aantal van hen, die de maatschappij voor de vervulling dier betrekkingen noodig heeft. Deze kan dus onmogelijk meer afgaan op vrijwillige aanmelding; zij moet zekere waarborgen eischen, en zoekt die waarborgen altijd in den een of anderen vorm van opleiding, welke in den modernen tijd in de overgroote meerderheid der gevallen haar afsluiting

Sluiten