Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

En? Ja, wat moet er dan staan tegenover nuttige kennis? Onnutte kennis?

Dat zeggen natuurlijk smalend de tegenstanders. Maar de voorstanders hebben dit opgenomen zooals de nederlandsche Edelen van 1566 het als scheldwoord bedoelde „Geuzen": zij hebben er een eeretitel van gemaakt en hunnerzijds juist dapper afgegeven op „nuttige kennis". Is er iets platters, iets meer laag bij den grond denkbaar dan „nuttige" kennis? „Zij vormt den geest niet", zeide immers reeds de oude grieksche wijsgeer Heraclitus1) Juist daarom hebben de nieuw-humanisten 't Grieksch zoo op den voorgrond geschoven ten koste van 't Latijn, omdat bij het Grieksch de materieele waarde zooveel geringer is en de formeele waarde gemakkelijker aan te toonen schijnt. „Als de jongen met 't Grieksch begint," zeide Oskar Jager2) — en daarbij bedenken wij, dat dit in Duitschland reeds op 9 a 10 j. leeftijd 't geval was — „dan opent zich voor hem een nieuwe horizon. Hier verdwijnt heelemaal 't-utilitaristische element, ieder spoor van commercieele nuttigheid, die bij 't Latijn altijd nog een beetje naklinkt; het Grieksch is inderdaad iets, om de kleinburgerlijke phrase te gebruiken, „waar je in je later leven niets aan hebt." Derhalve, zeggen wij, heeft 't zijn waardij in zichzelf."8) De bekende groote fransche geleerde en staatsman, Th. Ribot, sprak in 1869 bij een openbare prijsuitdeeling aan 't Lycée Laval te Parijs de gymnasiasten aldus aanB): „Laat mij u mogen herinneren, M. H., dat wat de vorige geslachten groot heeft gemaakt, dat is hun toewijding aan het onnutte, „leur culte de l' üiutile", in woordelijke overeenstemming met den Amerikaan William T. Forster, die in de Ed. Review van Maart 1917 betoogde, dat de groote mannen der vorige generatie bijna allen een onpractische, „liberale", opvoeding hadden gehad.

Dalen wij van deze hoogten weder af tot de L. S. dan ontwaren wij, dat wij zeer ver uit de buurt geraakt zijn van dat „alles wat je in je later leven noodig hebt"; dat 't nu haast

x) Zie hierboven bl. 38 v.v.

*) Lehrkunst und Lehrhandwerk, bl. 142.

s) Vergelijk den op bl. 53 aangehaalden paradox van Pernersdorfer. «) De rede is na zijn dood in 1917 door zijn leerling Dugas uitgegeven in de Revue Pédagogique en daaruit vertaald in „Het Kind", 1919, 7.

Sluiten