Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

151

geworden is: „de L. S. moet vooral niet geven, wat je later noodig hebt, want dat is allemaal vakopleiding, maar alleen wat je later niet noodig hebt, wat je toch maar vergeet, want dat is „Bildung". Doch, scherts op zijde: ook met betrekking tot de L. S. kunnen wij de kwestie van de formeele vorming, van „de vormende kracht van het onderwijs", niet ontloopen; men denke slechts aan de reeds genoemde gymnastiek en het zingen, vakken, welker aanwezigheid op de L. S. niet te verdedigen is, wanneer er niet is zoo iets als „formale Bildung".

De kwestie van de „formale Bildung" is zeer oud, zeiden wij, en ook zeer moeilijk. Waarom is zij zoo moeilijk? Om twee redenen.

De eerste is deze, dat er geen vormen zijn zonder inhoud, evenmin als inhoud zonder vormen. Er bestaan wel ledige vaten in de wereld, in eigenlijken en in oneigenlijken zin, maar niet bloote vormen van vaten. Op ons onderwerp toegepast beteekent dit: men kan den geest niet vormen zonder hem iets te leeren; van vormende kracht van het onderwijs kan natuurlijk geen sprake zijn als er heelemaal geen onderwijs gegeven wordt. Of men dus een aanhanger is van de formeele dan wel van de materieele vorming, in beide gevallen moet men den kinderen toch wat leeren, ze met leerstof vullen. Het verschil zal dan meer zitten in de beoordeeling van de resultaten dan in den omvang der leerstof; men onderwijst met een ander doel voor oogen, in een anderen geest, maar men onderwijst vrijwel hetzelfde. Alleen rijst dan de vraag, of in elk leervak even veel vormende kracht schuilt of niet, een zeer interessante vraag, welker opzettelijke bespreking ons veel te ver zou voeren, maar die wij straks toch nog even zullen aanroeren.

De tweede moeilijkheid is venijniger. Zij is ook moderner. In den laatsten tijd vermeerderen zich nl. de stemmen, die beweren, wat trouwens ook Herbart reeds beweerd had, dat „formale Bildung" heelemaal niet bestaat. Dat is zóó bedoeld: in het traditioneele begrip van de formeele vorming ligt opgesloten, dat men al leerende de krachten van zijn geest oefent onafhankelijk van wat men leert, zoodat, al vergeet men ook alles wat men geleerd heeft, toch overblijft de vermeerderde capaciteit van den geest, die men dan ook op andere objecten aanwenden kan.

Sluiten