Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

173

mensch zich dan verbeelden, dat hij er naar willekeur over kan beschikken en alleen ten eigen bate?

De tweede reden is, dat op dit gebied ook de armste altijd wat te geven heeft. Wie zeer arm is aan tijdelijke, kan zeer rijk zijn aan geestelijke goederen. Ieder mensch heeft in zijn hoofd of in zijn hart, of in beide, iets waarmede hij een medemensch verrijken kan. In de merkwaardige rede, waarmede prof. John. Erskine de tijdelijke Volksuniversiteit opende, die in 1919 te Beaume in Frankrijk voor de amerikaansche troepen, die daar op hun terugkeer moesten wachten, werd opgerichtx), lezen wij (blz. 95):

De meest zelfzuchtige mensch voelt zich tegenwoordig in zijn rust gestoord, zelfs in een geriefelijk bed, als hij weet dat tegenover zijn huis een bedelaar op de straatsteenen ligt te slapen. Maar dit is de eenige soort van liefdadigheid, waarvoor wij tot nog toe veel voelen en toch is dit nog slechts physische liefdadigheid. Wij betoonen nog niet veel ijver om ons intellectueele voedsel en kleeding, die wij zoo gelukkig waren te beërven, met anderen te deelen. De bedelaar en de hongerlijder verontrusten ons; wij zijn zelfs bedroefd over den arme, die met weet hoe arm hij is, en wij zouden hem gaarne beter inlichten. Maar wij verontrusten ons nog niet erg over de onwetendheid van een medemensch, ofschoon die onwetendheid hemzelf en de zijnen in velerlei ellenden kan storten, ja ofschoon die onwetenheid onszelf kan vergiftigen met ziekten, of wat nog erger is, met vooroordeelen en met de kiemen van haat In deze Universiteit kunnen wij een minder zelfzuchtige houding aannemen tegenover diegenen onder onze medemenschen. die iets willen leeren van de kennis waarin wij rijker zijn dan zij. Misschien kunnen wij van hier huiswaarts keeren met een nieuw ideaal van intellectueelen dienst Dat zulk een ideaal noodig is, kunnen wij weer aan ons zeil bewijzen. Wanneer een jong mensch ons vraagt: „hebt gij een cursus voor mij in dit of dat vak»? en wij moeten antwoorden: „neen, die is nog niet gereed», dan zal hij zich van ons afwenden alsof onze Universiteit hem verder niets aanging. Hij zal verbaasd opzien als wij hem zeggen, dat, aangezien hij van onze Universiteit niets meer te leeren heeft, hij al vast daaraan eenig onderwijs zou kunnen geven om zijn kennis mede te deelen aan anderen, die er minder van weten dan hij . Dit is slechts een voorbeeld en nog wel uitsluitend op intellectueel gebied. Maar de strekking is, hoop ik, duidelijk. En men heeft geen Volksuniversiteit noodig om 't in toepassing te brengen. Letterlijk ieder oogenblik in ons leven komen wij in de gelegenheid om van onze geestelijke gaven (onder „geest ~T) „De Maatschappij als een Universiteit", Ed. Rev. van Sept 1919.

Sluiten