Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

179

geerlijkheden. Maar dit is juist de groote moeilijkheid der opvoeding, dat men daarbij altijd dubbel werk heeft, werk aan zichzelf en werk aan zijn kinderen, en die twee zóó moet trachten in harmonie te brengen, dat zij mekaar niet hinderen maar steunen.

II. TOT DIENERS *) De lezer zal bemerken, dat II en III eigenlijk niets anders zijn dan nadere uitwerking van I. Toch is 't goed en noodig deze beide andere zijden van het vraagstuk elk afzonderlijk naar voren te brengen.

Bizonderlijk geldt dit van II, omdat in I toch altijd nog een zeker residu van zelfzucht was overgebleven. Alles wat wij daar tot aanprijzing van dat geven gezegd hebben, en alles wat daarvoor aangevoerd kan worden, loopt ten slotte toch hierop uit, dat het geven voor den gever zelf profijtelijk is. De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat de opvoeding tot gevers, die wij tot dusverre geschetst hebben, menschen zou kweeken van een verfijnd, berekenend egoïsme. Ik wil hier even de opmerking invlechten, dat ik volstrekt niet van oordeel ben, dat in opvoeding en moraal de deugd ook niet mag worden aanbevolen wegens haar zegenrijke vruchten, reeds daarom niet, omdat ik dat onmenschelijk en alleen in theorie mogelijk acht. Maar het hoogste is het niet, en bevredigend ook niet.

In dit bizondere geval komt er nog iets bfl. Wij hebben van het object van het geven zeer weinig en van de wijze en den geest van het geven in het geheel niet gesproken. Dat moet worden aangevuld. Daarbij kan natuurlijk in de verste verte geen sprake zijn van eenige volledigheid, maar daarom moet juist te meer althans de hoofdzaak in het licht worden gesteld.

En die hoofdzaak is in dit geval, dat het ware geven niet een daad mag zijn van individualisme, maar een uiting moet zijn van echten gemeenschapszin. Ook de mildste gever, de man die niet alleen ontzaglijk veel weggeeft, maar ook ontzaglijk veel voor een ander over heeft, kan toch nog een individualist

*) Het woord is niet mooi, maar dat gold ook van „gevers". En ik kan het niet missen en door geen ander vervangen : „dienaren" was natuurlijk geheel onbruikbaar, en „diender" eerst recht, ofschoon het nog bij Hooft voorkomt in den zin, dien ik noodig heb.

Sluiten