Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

204

doen, maar thans zal ik er niet bij stil staan. Het huisgezin late toch vrije baan aan de ontwikkeling van den spontanen arbeidslust van het kind en moedige dien op alle mogelijke wijzen aan! Het zorge voor productieven arbeid voor het kinden make allen arbeid voor hem levend en reëel; het geve ruimte aan en toone belangstelling voor de liefhebberijen van het kind, dikwijls zijn eenige veiligheidsklep, en klage niet over den last, dien zij soms veroorzaken, maar verontruste zich ernstig, wanneer een kind geen liefhebberijen toont, want dat is een bewijs, dat er heel reeds wat spontane arbeidslust in hem gedood is, of dat het kind niet geheel normaal is.

„Productief" te zijn, dat was de eerste voorwaarde, die wij aan den echten arbeid stelden. Dat brengt ons vanzelf geleidelijk tot het sociale standpunt, maar toch nog niet direct. Ook voor het individu is de echte arbeid productief. En zelfs in meer dan één zin. Zeer zeker is arbeid ook kostwinning: elke „arbeider is zijn loon waardig" en „wie niet werkt zal niet eten". Dit doordringe ook de opvoeding; het kind worde opgevoed in dezen geest, dat het een eer en een voorrecht en een geluk is zijn eigen brood te verdienen met zijn eigen arbeid, ook, ja, niet het minst, door den arbeid zijner handen. Dat is even Christelijk als modern. Paulus, de fiere Romein (zie hierboven bl. 189), de hoogontwikkelde vrije burger van een maatschappij, die handenarbeid (met de éénige uitzondering van den landbouw) beschouwde als beneden de waardigheid van den vrije, verdiende zijn brood „werkende met zijn eigen handen" (1 Cor. 4 : 12), zijnde tentenmaker van beroep (Hand. 18 : 3) en drukte zijn gemeentenaren op het hart eveneens te doen (1 Thess. 4, 11; Eph. 4 : 28, verg. hierboven bl. 170/1). En hoe het in het moderne Amerika toegaat, heeft de heer Emmens ons aangetoond in zijn „Eenige opmerkingen over leergangen in het voorbereidend hooger onderwijs", School en Leven, XXI, 49 (Juli 1920) waar wij o.a. lezen (kol. 771): „Een jongen, die 's morgens 3 of 4 uur in de school studeert, zal 's middags best zijn brood kunnen verdienen als winkelbediende, kantoorklerk, tramconducteur of iets dergelijks. Een pas uit Amerika teruggekeerde H. B. scholier vertelde: „Ja, ik had mijn sommen nog niet af, maar toen ik op de tram stapte, vroeg ik aan den

Sluiten