Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

225

was in de bovenstaande beschouwingen, moeten wij dit zeker doen — dan vatten wij de zaak al bizonder slecht aan. Dan handelen wij weder eens als de bekende kreeft uit de fabel, die zijn jongen wilde leeren vooruit te loopen in plaats van achteruit.

Daarom, indien onze kinderen, en de kinderen onzes volks, tekort schieten in stiptheid, zoo is het een directe aanklacht tegen ons: nostra culpa, nostra maxima culpa!

Stiptheid is ten slotte niets anders dan — stiptheid! Dat wil zeggen: de stiptheid is in de stipte eerlijkheid niet iets anders dan in de stipte gehoorzaamheid of in welke andere combinatie ook. Stipt is stipt, en wie stipte kinderen wil groot brengen moet zorgen zelf stipt te zijn. Niet maar stipt in dit of in dat, maar stipt. Het gaat dus niet aan bijv. stipte gehoorzaamheid of stipte eerlijkheid van zijn kinderen te verlangen, terwijl men zelf nooit stipt op tijd is. De samenhang dezer dingen is veel nauwer en inniger dan de volwassenen, speciaal de opvoeders, gewoonlijk denken. Kleine vossen bederven den wijngaard!1)

Hoeveel zelfbeheersching, hoeveel zelfoefening echter de nietstipt-geborene noodig heeft, en dagelijks levenslang noodig heeft, om zichzelf tot een eenigermate voldoende mate van stiptheid te dwingen, daar zullen we maar niet van spreken: 't mocht eens al te ontmoedigend werken. En dan te denken, dat de strijd tegen de onstiptheid onzer kinderen nauwelijks minder zwaar is!

En toch, hopeloos is het geval nooit!

Als we maar willen!

i) Toespeling op Hooglied 2 : 15 en op den titel van een bekend en nuttig boekje van Mevr. Beecher Stowe.

Sluiten