Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAT WIJ NOODIG HEBBEN. Nieuwjaar 1922.

't Is in één woord te zeggen: Rust!

Rust, niet in den zin van lediggang, uitspanning, vacantie. Die is, hoe onmisbaar ook, toch altijd maar van voorbijgaanden aard, het — tijdelijk — herstel van een — tijdelijk — verbroken evenwicht.

Maar Rust in den zin van kalmte, bezonken-en bezonnenheid, beheersching, zelfvertrouwen, moed, waarvoor men beter Rustigheid of Gerustheid, en misschien 't allerbeste Oemoeds-of Zielerust zegt, of in bijbelsche taal: Vrede.

Wat wij noodig hebben, dat is wat Pestalozzi de „innere Ruhe" *) noemde, het weerstandsvermogen der ziel om onder de wisselendste en moeilijkste omstandigheden zichzelf gelijkte blijven en koers te houden, de kunst om zich niet door de dingen te laten beheerschen en van de wijs brengen, maar er boven te staan, de betrachting van het „saevis tranquUlus in undis"2) van Prins Willem I.

Het is overbodig uiteen te zetten, dat wij dit vooral nu noodig hebben, maar misschien minder, er aan te herinneren, dat wij eigenlijk al 50, 60 jaren in een eeuw van jachtige onrust leven, die alleen sedert 1914, en vooral sedert 1918, nog veel heviger en verwarder is geworden. Hoezeer wij echter reeds lang vóór die datums de rustige rust verloren hadden, kan o.m. blijken uit het treurige feit, dat de moderne mensch twee kunsten bijna geheel verleerd heeft, die zijn voorvaderen met virtuositeit, en met groote vrucht voor zichzelf en de menschheid, beoefenden: de kunst van briefschrijven en de kunst van conversatie.

Die zielsrust is een plant, die aangekweekt moet worden. Ik wil het nu niet hebben over de wijze waarop het individu die

*) Abendstunde eines Einsiedlers.

*) „Kalm te midden der wilde golven."

Sluiten