Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1867

22

Evangelie kwam ik dus tot u, maar na nog slechts een enkelen teug uit de fonteinen des levens gedronken te hebben, zonder nog één voor één al de schatten der openbaring terug te hebben gewonnen als toegeëigend bezit van mijn eigen hart... Zoo ging tiet voort en voort, Mijne Vrienden, en na met den doop des twijfels gedoopt te zijn, en dus met die kennis die de ervaring geeft, ontwikkelde zich al meer afkeer in mijn hart van een richting, die mij zoo door en door onwaar in haar uitgangspunt bleek, tot eindelijk het oogenblik voor mij aanbrak, dat ik met een overtuiging, die niet maar in de hersenen was uitgebroed, maar in hart en leven tot vastheid en beslissing was gekomen, 4t dwaasheid des Kruises als hoogste en eenige wijsheid heb aangenomen — en met lof en dank voor God in de ziel mij openlijk bij hen geschaard heb, die onder de banier des Kruises strijden."

Verder dankt de scheidende leeraar dan zijn gemeenteleden voor de ondervonden liefde, vooral voor den zedelijken steun, dien ze hem bij zijn levensstrijd gegeven hebben. „Die vier jaren, die achter mij liggen zijn zoo rijk aan vorming en ontwikkeling voor mij geweest. Wie weet, wellicht ongemerkt is daarbij ook van velen uwer kracht op mij uitgegaan en hebt ge er het uwe toe bijgedragen, om mijn vorming een schrede verder te brengen."

Later, in zijn Confidentie, blz. 42—48, vertelde Dr. Kuyper, hoe de gesprekken met de eenvoudige vromen in zijn eerste gemeente hem tot zegen waren geweest. En bij het afsterven van Pietje Baltus te Beesd schreef hij in De Standaard van 30 Maart 1914, dat het met name deze vrouw is geweest, die door den Heere gebruikt werd om hem tot het geloof te brengen. Het kenmerkende in die toen nog jonge vrouw was haar beslistheid. Ze stond op volle belijdenis van het geloof, waarvoor onze martelaren gestorven waren. Toen heeft er een ontmoeting plaats gehad, die in Dr. Kuypers overtuiging een keer bracht, doordat hij op etn- maal in deze vrouw de kracht van het absolute greep, en met alle halfslachtigheid brak. Die eenvoudige vrouw heeft de lijn van zijn leven van half naar heel omgebogen.

Over de volstrektheid van het geloof der Betuwsche vromen lezen we in Confidentie, blz. 45 nog: „Ze wisten van geen schikken en plooien, en al meer kwam ik voor de pijnlijke keus te staan van of mij scherp tegen hen te zetten, of onverbiddelijk mee te gaan tot „de volle souvereine genade" zooals zij het uitdrukten,

Sluiten