Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25

JAARTAL 1867

Toch ging het orthodoxe Utrecht in de kerkelijke wereld destijds nog al eens over de tong. In De Heraut van 8 Nov. 1867 schreef de heer I. Esser, dat, zoolang mannen als Opzoomer 't aan de Utrechtsche Academie konden uithouden, 't met de Hervorming en orthodoxie daar nog zoo heel ernstig niet gemeend was. En in het nr. van 29 Nov. d.a.v. voegde hij er de mededeeling aan toe, dat velen van zijn Utrechtsche vrienden zeer klaagden, en dat sommigen Utrecht noemden: „de stad der zeven kerkhoven"; alsook, dat een wakker man, te Utrecht in slaap geraakt, bekende te Rotterdam te zijn ontwaakt.

Dit sloeg blijkbaar op Ds. W. J. Jorissen, die op 14 April 1867 zijn afscheid van Utrecht genomen had om naar Rotterdam te gaan. Daar verklaarde hij in September d.a.v.: „Het is voor de eerste maal, dat ik mij geroepen zie om leerlingen te bevestigen van predikanten, die de Opstanding van Christus ten derden dage

loochenen. Ik kom er rond voor uit, dat mij dit onmogelijk is "

Zie: Vos, Groen van Prinsterer en zijn tijd, II, blz. 387.

De vacature te Utrecht, ontstaan door het vertrek van Ds. Jorissen, werd vervuld door de overkomst van Dr. A. Kuyper.

Voor dezen jongen leeraar, nauwelijks 30 jaar oud, was het een heilig en plechtig levensuur, toen Ds. H. C. G. Schijvliet („de man naar het hart van een betrekkelijk kleinen kring mystieken", Bronsveld), hem aan den morgen van den lOen November in de Domkerk met diepgevoelden en teederen ernst bij de gemeente inleidde, na een predikatie uit Jesaja 55 :10 en 11 over „het Woord, dat niet ledig wederkeert".

's Avonds hield Dr. Kuyper zijn intreerede, niet zonder opzien tegen de bediening eener gemeente, die als een der brandpunten van hooger geestesleven ook hooge eischen mocht stellen.

Dat opzien van toen stond hem zelfs op zijn ouden dag nog zóó levendig voor den geest, dat hij in 1916, op een ernstige vergadering tot stichting van een PersvereenigingvoorDe Standaard, in het gebouw van Kunsten en Wetenschappen te Utrecht, bij den aanvang Psalm 91:1 opgevende, begon met een herinnering aan zijn intrede in diezelfde stad, toen het hem ook bang te moede was, en hij datzelfde psalmvers had laten zingen, de bescherming inwachtende van den God van zijn betrouwen.

De intreerede was gebaseerd op Joh. 1 : 14a: „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond".

Ds. L. C. Schuller tot Peursum was als student bij deze intrede

Sluiten