Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1868

28

kritieken toestand onzer kerk historisch toegelicht. Utrecht, J. H. van Peursem, 1868.

10. Toelichting der Memorie, ingediend door den Algemeenen kerkeraad van Utrecht aan het Classicaal Bestuur van Utrecht, den 21 September 1868. Utrecht, Kemink en Zoon, 1868.

11. Verzameling van officiëele bescheiden inzake de kerkvisitatie te Utrecht in 1868, uitgegeven op last van den kerkeraad, I. Utrecht, Kemink en Zoon, 1868.

De Synode der Nederlandsch Hervormde Kerk laat jaarlijks in elke gemeente, onder den naam van kerkvisitatie, een onderzoek instellen naar haar godsdienstig-zedelijken toestand en naar de goede orde in het kerkelijk gemeenteleven. Deze kerkvisitatie, door de Synode aan de Classicale Besturen opgedragen, moet door gedelegeerden uit deze Besturen, in alle gemeenten van hun ressort om de drie jaren persoonlijk gehouden worden. De beide tusschenliggende jaren geschiedt de kerkvisitatie schriftelijk. Voor die schriftelijke kerkvisitatie zendt het Classicaal Bestuur aan de kerkeraden drie onderscheidene tabellen in blanco, waarop de punten van onderzoek in den vorm van vragen vermeld staan, en die, ingevuld en onderteekend, door den kerkeraad aan het Classicaal Bestuur worden teruggezonden. De uitkomsten dezer visitatie (persoonlijk zoowel als schriftelijk) worden door het Bestuur der Classis gerapporteerd aan het Provinciaal Kerkbestuur en eindelijk aan de Algemeene Synode opgezonden.

Behalve naar vele andere dingen gelast het visitatiereglement, dat bij dit jaarlijksch onderzoek allereerst gevraagd zal worden, of de Predikanten, Ouderlingen en Diakenen onberispelijk zijn in leer en wandel. Deze vraag, waarin eerst onderzocht wordt naar de leer, en dan naar den wandel, is dus niet gunstig aan het wangevoelen, dat de levenswandel hoofdzaak en de leer onverschillig is.

Zij onderstelt daarenboven, dat er een maatstaf, een toetssteen, een vastbepaald gewicht is, waarnaar in dezen gemeten, gekeurd, gewogen worden kan. Moet men onberispelijk zijn in de leer, dan sluit dit vanzelf in, dat er ook een berispelijke leer bestaan kan, en dat de eerste van de laatste te onderkennen is. Daardoor alleen blijft ook de eenparigheid bewaard, die de meer dan duizend afzonderlijke gemeenten in ons vaderland als ééne kerk in haar onderling verband te zamen houdt. Wordt dit punt van vereeniging

Sluiten