Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31

JAARTAL 1868

officieel bekend, toen hem ook in het jaar 1868 op gewone wijze en zonder eenige aanmerking nieuwe tabellen ter invulling werden toegezonden.

De vraag ontstond nu voor den kerkeraad, welke gedragslijn hij thans te volgen had? Naar de wet „de vragen der kerkvisitatie beantwoorden overeenkomstig het reglement", kon hij thans evenmin als ten vorigen jare, want zijn bezwaar; „de houding der Synode" had eer gewonnen dan verloren in wicht.

Maar hoe dan? Kon hij doen, wat hij ten vorigen jare nog deed: — de overige vragen beantwoorden en in de kolom voor de hoofdvraag zijn verklaring herhalen? Onmogelijk, zoo hij zijn waardigheid niet wilde prijsgeven. Immers, de stand van zaken was juist door het gebeurde van het vorig jaar geheel veranderd. Toen legde men die verklaring juist af, om de Synode harerzijds tot verklaring te dwingen. Toen leefde men nog onder de volle verbindbaarheid van het reglement, en kwam in verzet op eigen risico en perikel. Toen wilde men de leugen uit de kerkvisitatie nog wegnemen, door de Synode tot het houden van werkelijke visitatie te nopen. Thans echter was alles anders geworden. De Synode had zich door haar houding verklaard. De verbindbaarheid van het reglement was door haar prijsgegeven. Tot werkelijke kerkvisitatie had ze getoond niet te kunnen komen.

Accepteerde de kerkeraad nu toch de zoogenaamde kerkvisitatie, dan zou hij mede schuldig zijn geworden aan het kennelijk streven der Synode, om aan de kerkvisitatie haar geestelijk karakter te ontnemen, en met den titel van kerkvisitatie te versieren, wat naar het eenparig getuigenis der geschiedenis en de eigen vroegere verklaringen der Synode geen kerkvisitatie was.

Op voorstel van zijn jongsten predikant, Dr. A. Kuyper (al de overige predikanten stemden tegen) besloot de kerkeraad dan ook op 15 April 1868 om de vragen, in de tabellen vervat, onbeantwoord te laten, „omdat deze vragen hem gedaan worden namens een Synode, met wier tegenwoordige waardigheidsbekleeders de kerkeraad geen gemeenschap des geloofs en der belijdenis heeft."

En hiermede zou de geheele zaak der kerkvisitatie ten einde zijn geloopen, zoo niet het Classikaal Bestuur, bij schrijven van 3 Juni 1868, onder bedreiging met tuchtmiddelen en onder waarschuwing voor de bedroevende gevolgen van zijn stap, den kerkeraad alsnog verzocht had de blanco teruggezonden tabellen te willen invullen. Maar de kerkeraad volhardde bij zijn weigering

Sluiten