Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

39

JAARTAL 1868

III. Christus de bron van zedelijke kracht. Joh. 15:5.

Deze toespraak werd op een avond van een avondmaalsdag gehouden. En de prediker voelt, hoe de onheiligheid der gemeente dat Avondmaal drukt, ja hoe daarhij meer nog dan bij eenige andere samenkomst der gemeente, het schreiend contrast uitkomt tusschen de kerk zooals ze naar waarheid zijn moest, en de kerk zooals ze door de verwoesting van zonde en ongeloof is geworden. En hij verstaat dan ook wel iets van wat bij hen omging, die aan den disch in zulk een kerk niet meer naderen willen. Ook hier beluisteren we weer de klacht over de onvruchtbaarheid en machteloosheid, waarmee het Christendom onzer dagen geslagen schijnt. En ten slotte de vermaning: „Gij allen, ook al zijt ge nog slechts gedoopten, maar gij vooral die boogt op rechtzinnig belijden, — gij meer nog die de zegelen des Verbonds bij brood en wijn ontvingt, — waakt en bidt, dat ge niet uitvallen, maar in Christus blijven, en in de veelheid uwer vrucht de verzekering moogt ontvangen, dat ge geen verdorde ranken zijt, maar bloeit op den eenigen Wijnstok."

IV. Schuldbesef. Psalm 19 :13.

„De zondaar is zich zijner schuld in al haar uitgestrektheid niet bewust, en toch, niet slechts over bewuste zonden, maar evenzeer over de zonde, gelijk ze zich zijns onbewust met haar ontzettende afmetingen in zijn hart uitbreidt, moet zich zijn schuldgevoel uitstrekken ... Want, verborgen zonden, let wel, dat zijn hier niet die zonden die voor anderen, maar die voor ons zeiven verborgen zijn. Reinig mij van zonden, die ik zelf niet weet dat in mij zijn, van zonden wier bestaan in mijn hart ik mij zeiven niet bewust ben, is dus de bede, waarmee de Psalmdichter uit de diepte tot zijn God roept."

V. De vloek der verstandsrichting. Efeze 3:14—19.

In de inleiding wordt aangewezen, hoe de geschiedenis der Christelijke Kerk verschillende tijdperken doorloopt, waarin beurtelings één der vermogens van den menschelijken geest tot krachtiger werkzaamheid dan de andere geroepen werd. Eerst is het de wil, die op den voorgrond treedt (martelaars); dan de verbeelding(legenden); dan, het gevoel (Roomsche eeredienst) „Uit die inzinking verhief de Kerk zich eerst door de Hervorming, en geen wonder dus dat met haar doorbreken het christelijk bewustzijn, zoolang verduisterd en ten onder gehouden, met beslistheid op den voorgrond treedt. Men had lang genoeg gewiegeld op den verraderlijken stroom des gevoels, men was bedwelmd door dat wierookwalmen. Men wilde weer nuchteren zijn en weten waar men stond. Het geheiligd

Sluiten