Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1869

54

eerst, dat, ter eerlijke naleving van de wet van 1857, in denzin en geest waarin ze tot stand kwam, wijziging van art. 23, 24 en 33 vereischt werd, en ten anderen, dat aan eiken meer afdoenden waarborg van gewetensvrijheid, wijziging van art. 194 der Grondwet zou moeten voorafgaan.

Dit praeadvies der Hoofdcommissie was de wederopneming van een, sedert 1 Juni 1866, bijkans in vergetelheid geraakt program.

Achtereenvolgens verschenen nu van Groens hand een tiental vlugschriften onder den titel: Zelfstandigheid herwonnen of Parlementair Cijfer en Zedelijke Volkskracht l—X. Februari—Juli 1869.

De hoofdstrekking dezer geschriften was het herwinnen van de zelfstandigheid der Antirevolutionaire partij uit de doodelijke omarming van het conservatisme, door, ditmaal althans, bij de stembus van 1869, de schoolkwestie uit het slijk der politieke combinatiën en speculatiën wederom op te heffen tot levensvraag, tot conscientievraag van het Nederlandsche volk.

Reeds op 30 November 1855 had Groen van Prinsterer in de Tweede Kamer weerstand geboden tegen het hoofdbeginsel der onderwijswet: „Volksopvoeding waarbij de Christelijke waarheid als kerkelijk leerbegrip ter zijde gesteld wordt". Hiertegen poneerde Groen toen de stelling: „Het Christendom uit de volksopvoeding te weren, strijd tegen het verlangen der Natie". En aan het einde van zijn betoog verklaarde hij: „Hetgeen wij hier gewetenshalve belijden, vindt weerklank, niet in de driften der bevolking, niet in eene voorbijgaande opgewondenheid, maar in de zelfbewustheid, in de consciëntie, in het Christelijk geweten van het Nederlandsche volk". (Adviezen, Tweede Deel, 1857, bldz. 133.)

Eindelijk, ook toen elke kans op overwinnen was weggevallen, op 9 en 20 Juli 1857, sprak hij nog: „Uwe organisatie van het openbare schoolwezen is met de Schriften en het recht van alle gezindten, met het geloof der natie, met het volksgeweten, in strijd. Uwe volksschool neemt, met het Kruis, het Christendom weg. Vereenig Jood en Christen op ééne volksschool, zoodat gij ter wegneming van het kenmerkend-christelijke verplicht zijt, en geef dan aan die onchristelijke schoolgemeenschap den Christelijken titel, dit noem ik heiligschennis. Uwe Christelijke leus is een onzedelijk woordenspel, dat ontheiliging door heiligschennis verbloemt". (Open Brief, 1857, blz. 6.)

Sluiten