Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1869

64

navolging van Burke, Stahl en Guizot, ook reeds gebezigd was door Gunning, die „de door onze Staats-instelling begunstigde ongeloofseenheid", „het demonisch tegenbeeld" noemde van de geloofseenheid {Zeven Stemmen over Schoolonderwijs 1864, blz. 28 noot); en door Groen van Prinsterer, die met het oog op het beginsel van ongeloof en revolutie schreef: „Ook de ontwikkeling ten goede van de moderne maatschappij is onder de overmacht van dit antichristelijk, van dit, in het licht der openbaring, satanisch beginsel geraakt." (Studiën en Schetsen ter Schoolwetherziening, 1865, blz. 48 en 76).

Het voorstel tot weglating van het woord „Christelijk" in art. 23 van de Wet op het Lager Onderwijs, werd door de Algemeene Vergadering ten slotte met 53 tegen 9 stemmen aangenomen.

Aan het einde verklaarde de vergadering nog op voorstel van Ds. F. W. Merens:

dat geen ander dan Christelfik schoolonderwijs voor een Christelijk volk voldoende kan heeten;

dat in de tegenwoordige staatsinrichting geen Christelijk onderwijs van staatswege mogelijk is;

dat de verklaring, door de Regeering aan de wet gegeven, het woord Christelijk tot een onwaarheid en oorzaak van misleiding maakt en

dat wij daarom genoodzaakt zijn te begeeren, dat uit Art. 23 van deze wet het woord „Christelijk" weggenomen worde.

De vergadering werd daarna door Ds. A. Kuyper met dankgebed gesloten.

De strijd, hier gevoerd over de schrapping van het woord .Christelijk" in Art. 23 der Schoolwet, leidde tot een breuke tusschen de broederen. Zoowel Beets als Chantepie de la Saussaye bedankten voor het lidmaatschap van C. N. S. O. Beets schreef er over in de Protestantsche Bijdragen I, Groen in de Nederlandsche Gedachten, 2e serie, I, en Kuyper in De Heraut.

De literatuur over dit onderwerp is omvangrijk. Behalve het officiëele verslag der Achtste Algemeene Vergadering leze men: Kuyper, Bedoeld noch Gezegd, blz. 34; Fabius, Voorheen en Thans, blz. 147; Voortvaren, blz. 229; Staatsrecht en Polltlek,\\ blz. 283—292; Studiën en Schetsen, V, no. 3, blz. 123—127; Raabe, Van der Brugghen herdacht, blz. 18; Merens, Groen van Prinsterer en Van der Brugghen, blz. 19 vv.; Vos, Groen van Prinsterer en zijn tijd, II, blz. 424; J, Kuiper, De Gereformeerde

Sluiten