Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1870

72

Aan den vooravond had de afdeeling Utrecht van Christelijk Nationaal Schoolonderwijs haar zustervereenigingen uitgenoodigd tot een samenzijn, om de houding te bepalen, die de vrienden van het Christelijk onderwijs zouden aannemen.

De uitslag van deze bespreking was, dat door de opgekomenen een commissie van zes heeren benoemd werd, bestaande uit de heeren Feringa, van Asch van Wijck, de Geer van Jutphaas, Brummelkamp, A. Meijer en Kuyper, aan welke in mandaat werd gegeven, de volgende amendementen op de hoofdbeginsels voor te dragen.

Op 1, aan deze alinea toe te voegen: „Bevordering van schoolplichtigheid en kosteloos onderwijs blijve onder de vigeerende schoolwetgeving, hierbij uitgesloten."

Op 2, aan het slot te laten volgen : „Mocht derhalve tengevolge van den stoot door zijn optreden aan de publieke meening gegeven, invoering der schoolplichtigheid aan de orde komen, dan zal in zijn program, algeheele vrijmaking der school steeds aan de invoering der schoolplichtigheid moeten voorafgaan."

Op 3, tusschen de woorden: „daarbij" en „persoonlijk" in te lasschen; „voor zoover hun overtuiging dit veroorlooft".

De vergadering van het Schoolverbond werd gehouden in de groote concertzaal van het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen. Een groot aantal was tegenwoordig. Inspecteurs en schoolopzieners, vrienden en vijanden van de staatsschool; vrijdenkers en modernen en liberalen en orthodoxen; afgescheidenen en leden der Hervormde Kerk; een bonte verscheidenheid. 'tWas een machtig schouwspel in breede rijen daar al die honderden mannen samen te zien en onder hen zoovelen, die elkander gewoonlijk als tegenstanders in den schoolstrijd ontmoetten. Niet zonder gespannen verwachting zag men den uitslag tegemoet van de dubbele worsteling, die hier te wachten stond.

Uit het beloop der vergadering deelen we slechts mede, dat de heer Verhagen uit Goes, een vrijdenker, het voorstel deed, dat de vergadering allereerst zich ten doel zou stellen een wet te verkrijgen waarbij schoolplichtigheid werd gelast.

Tegen dit voorstel werd van de zijde van Christelijk Nationaal gesproken door den heer Feringa, die er op wees, dat onder deze schoolwetgeving door geen onzer schoolplichtigheid als doel aanvaard kon worden. Daardoor toch zou een vader, die uit geweten tegen de staatsschool was, gedwongen worden tegen zijn geweten,

Sluiten