Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

77

JAARTAL 1870

en enkel reglementair kerkgenootschap, waar het Evangelie, vooralsnog, door het ongeloof getolereerd werd.

Ook weer in 1869 stelde Groen deze levensvraag nevens en zelfs boven de onderwijskwestie op den voorgrond. Nevens vrije ontwikkeling der natie op schoolterrein verlangde hij, Ned. Ged. 9 Sept., opheffing van de caesaropapistische organisatie der Gereformeerde Kerk. „De zoogenaamde vrijmaking in 1842 en 1852 is niet anders dan overlevering aan de Synode, orgaan der Kerk, maar inderdaad creatuur van het Gouvernement. Caesaropapistisch schepsel dat, tot handhaving van de kerkleer geroepen, integendeel, dé verkondiging van het ongeloof, tot in het nee plus ultra van anti-Christelijke ontwikkeling, handhaaft."

En in het nr. van 23 October: „Het onregt inzake kerkelijke goederen is verregaande, maar van vrij wat erger natuur is het onregt, dat tegen de Hervormde Kerk, in haar levensbeginsel, gepleegd wordt. Lang genoeg is de intrekking der organisatie van 1816 en 1852 tevergeefs gevraagd. Met dubbelen ernst moet op het pertculum In mora worden gelet".

Deze woorden van Groen werden in De Wekstem van 6 Nov. door Ds. Donner overgenomen met het opschrift: Eene stem des roependen in de woestijn, en met den wensch: „Wij bidden onze broeders in het Hervormd Kerkgenootschap: hoor naar de trouwe stem diens roependen: Breek met de organisatie van 1816 (in 1852 onder een anderen vorm bevestigd); maak u vrij en wij staan aan uwe zijde; wij zijn één, van ons vleesch en been zijt gij".

Groen van Prinsterer, deze woorden van Ds. Donner in de Ned. Ged. Nov. 1869 citeerende, verwijst daarbij ook naar zijn opmerking in Bijdragen voor Kerkgemeentelijk Overleg 1868, IV, blz. 46: „Met moed en beleid gevoerd, kan de strijd, waarin we thans geraakt zijn, leiden tot eene sedert lang gewenschte hereeniging met de Afgescheiden gemeenten op historischen grondslag."

En was er tot dusver, noch in, noch buiten de Kamer, op Groen's lang gekoesterden wensch naar vrijmaking der Kerk gelet, ditmaal bleef zijn woord niet een stem des roependen in de woestijn. Het onbetwistbare van het recht der Hervormde Kerk vond hij, ook in den allerlaatsten tijd, op uitnemende wijze in het licht gesteld door a. W. Heineken, in diens academisch proefschrift : De Staat en het Kerkbestuur der Nederlandsche Hervormden sedert het herstel onzer onafhankelijkheid, Leiden, 1868; b. A.

Sluiten