Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

133

JAARTAL 1871

Wat nu het eigenlijke onderwerp van de lezing betreft, schrijft Dr. Hoedemaker: „Het modernisme wordt ons hier door een meesterhand geteekend of eigenlijk verzinnelijkt, met het beeld van eene Fata Morgana, die wel boeiend schoon is, naar vaste wet verschijnt, maar overigens alle werkelijkheid mist. Dit beeld nu is inderdaad gelukkig gekozen, omdat het niet alleen het modernisme als verschijnsel karakteriseert, maar tevens op de voorwaarden wijst, waardoor het ontstond en weder te eeniger tijd zal verdwijnen. Met veel tact heeft Dr. Kuyper dan ook de verschillende gegevens gegroepeerd, die hem dit modernisme in zijn drievuldig karakter van schoon, noodzakelijk, illusoir deden kennen. Ridderlijk heeft hij dat toegestemd, getoond in hoever aan dit modernisme een recht van bestaan kan toegekend worden, en toegegeven dat zijn invloed in menig opzicht weldadig geweest is. En niettegenstaande dit alles, en ofschoon de lezing ons van het begin tot het eind heeft geboeid, ja zelfs, hoewel iedere stelling op zichzelve ook door ons ten volle beaamd wordt, aarzelen wij niet te verklaren dat het modernisme recht zoude hebben, zich over zijne voorstelling te beklagen. Deze voorstelling toch is zelve slechts een Fata Morgana, waaraan wel eene werkelijkheid ten grondslag ligt, maar die, hoewel boeiend schoon en zeer verklaarbaar, ten eenenmale van werkelijk bestand is ontbloot. Een Fata Morgana bracht niets nieuws en niet verder, want het liet ook niets na. De tooverwereld die zij schept is slechts een weerkaatsing van de werkelijke wereld die daar achter den horizon ligt. Maar die wereld bestond reeds, naar vorm en inhoud, geen enkel nieuw gebouw deed zij verrijzen; zelfs is hetgeen op den achtergrond stond niet door haar op den voorgrond gebracht. De Fata Morgana kan dienen als beeld, niet als type; als vergelijking, niet als gelijkenis; en dan zelfs niet van het modernisme in de totaliteit zijner verschijnselen, maar slechts van de moderne theologie, d.i. van den godsdienst, het christendom der modernen."

Deze en nog andere opmerkingen van Dr. Hoedemaker beantwoordde Dr. Kuyper in De Heraut van 6 Oct. 1871 aldus:

Bl. 239 zegt Dr. H.: „Welnu dit alles is waar van de theologie der modernen, indien wij dit woord mogen bezigen, maar niet van het modernisme in zijn geheel." De inzage van aanteekenlng 24 p. 66 zou hem getoond hebben, dat niet van het moderne

Sluiten