Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

159

JAARTAL 1873

in korte trekken het pleit, hoe èn voor de Maatschappij, waarin de Kerk optreedt, èn voor de Kerk van Christus zelve, èn voor haar Dienaren, de echte menschelijke vrijheid tot haar recht komt.

Hij teekent hier zijn ideaal van een vrije Kerk, naar amerikaansch model.

Achter de predicatie zijn enkele aanteekeningen gevoegd, die in de nieuwe uitgave van 1913 niet meer voorkomen; o.a. een over Artikel 36, waar we de merkwaardige stelling lezen, dat de Staat den plicht, hem in dit artikel opgelegd, juist niet volvoert, zoo hij doet, wat naar inzicht van vroegere dagen als plicht voor hem gold.

Verder vindt men hier de persoonlijke toespraak tot den Bevestigde, dien Dr. Kuyper, niet slechts als man van wetenschap, maar ook als geestverwant begroet.

Dr. van Ronkel had tijdens de vacanties van Dr. Kuyper reeds meermalen hoofdartikelen in De Heraut en in het zondagsnummer van De Standaard voor hem geschreven.

Enkele jaren later zou hij zijn „Bijbellezingen voor het Volk" aan Dr. Kuyper opdragen, hem roemend, als den Vader en grondlegger der herleefde studie van de Gereformeerde Theologie in ons land.

48. Confidentie. Schrijven aan den Weled. Heer J. H. van der Linden. Amsterdam, Höveker & Zoon, 1873.

De heer J. H. van der Linden, ouderling van de Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam en secretaris van den broederkring Eensgezindheid, had in de Christelijke Stemmen, dl. XXVII, blz. 655— 661, zijn afkeuring te kennen gegeven over de wijze van oprichting der Vereeniging: Beraad. Zie daarover meer in mijn: De Strijd voor Kerkherstel, blz. 184—189.

In De Standaard, Zondagsnummer van 16 Febr. en 9 Maart 1873, had Dr. Kuyper daartegenover zijn voorstelling van de wordingsgeschiedenis dezer nieuwe vereeniging geplaatst, en voorts verwezen naar het antwoord, dat hij den heer Van der Linden in de Vereeniging : Christelijke Stemmen zou geven.

Dit antwoord verscheen dan ook in het April-nummer van genoemd tijdschrift, dl. XXVII, blz. 693—723. Daarbij verloor Dr. Kuyper zich echter niet in een heilloos haarkloven over nietige bijkomstigheden, maar hij greep deze gelegenheid aan om in ver-

Sluiten