Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

175

JAARTAL 1874

op den voorgrond gesteld wordt, het misverstand versterkt en de klove verbreedt.

Ook dit nog. Evenmin in de Nederlandsche Gedachten als in het Handboek ontleen ik aan vroeger kerk- of staatsregtelijke partijschap een keursteen van huldebetoon aan al wat in Nederland goed, groot en echt geweest is.

Hier werd Dr. Kuyper door Groen van Prinsterer op de vingers getikt. Heel dit geanimeerde stuk bedoelde niets minder dan een protest tegen Dr. Kuyper's sturen in calvinistische richting, en i tegen zijn teruggaan tot de Predestinatie als meest kenmerkend I beginsel van het Calvinisme.

Aanleiding tot dit protest was de toenmalige agitatie voor de oprichting van een standbeeld van Thorbecke. Groen, die zich daartegen verzette, poogde de aandacht van Thorbecke af te leiden, door te pleiten voor de oprichting van een standbeeld voor Oldenbarnevelt en Jan de Wit. Ned. Ged. V, 362. Maurice et Barnevelt, p. CXLIII—CLIX.

Tegen dezen voorslag echter, achtte Dr. Kuyper het plicht, uit naam van Neerland's Calvinisten, te moeten opkomen. De Standaard, 25 Febr. 1874.

En het was tegen deze critiek van De Standaard, dat het slot van Groen's strafrede zich keerde.

Toch was deze standbeelden-kwestie slechts de aanleiding tot het incident Groen—Kuyper. De kern van het geschil was, dat Groen zich keerde tegen Kuyper's toeleg om het Antirevolutionaire ■ Staatsrecht op te trekken op den grondslag der calvinistische beginselen.

Dit blijkt overtuigend uit den nadruk, dien Groen tegenover Kuyper's calvinistisch streven legde op de christelijk-protestantsche ■ nationaliteit; uit zijn bedenking tegen de toepasselijkheid van het Calvinisme; uit zijn herleiden van Calvijn's invloed tot de mystieke proportiën van het geloofsvertrouwen van Calvijn; uit zijn accentueeren van den evangelischen rotssteen; en, last not least, uit zijn protest tegen het op den voorgrond stellen van de uitverkiezing; al te saam geresumeerd in zijn betuiging, dat verschilpunten van weerskanten wel niet geaccentueerd, maar evenmin verbloemd zijn.

De zielkundige verklaring van dit citaat schuilt hierin, dat ook bij Groen plaats greep, wat bij mannen van beteekenis als de

Sluiten